© Wim van den Dungen
Antwerp, 1993 -
2008.
To the English Translation of this Work
OVER ZEVEN MANIEREN VAN HEILIGE MINNE
door Beatrijs van Tienen (1200 - 1268)
priorin van Nazareth (nabij Lier)
geschreven te Nazareth ca.1236
SITUERING :
Beatrijs van Nazareth (1200 - 1268) te Tienen als slagersdochter
geboren, was de eerste Vlaamse mystica die in een eigen mystieke
taal (het Diets) op een synthetische & originele wijze uitspraak deed
over de 'mystieke' intimiteit die er kan bestaan tussen de spirituele
mens & datgene wat deze als 'Goddelijk' ervaart.
Zij deed dit in haar Seuen Manieren van Heiliger Minnen (ca.1236),
geschreven voor novicen. Dit is het oudst bekende Middelneder-
landse 'geestelijke' proza. In 1236 was ze met haar zusters naar
het klooster van Nazareth (nabij Lier) getrokken. Aldaar werd ze
later tot priorin verkozen. Eerst stond genoemde tekst bekend als
een 'preek' uit de Limburgsche Sermoenen, 48 preken geschreven
door een Limburgse monnik uit de buurt van Maastricht of Tienen
(ca. 1320-1350). In 1926 konden Reypens & Van Mierlo Beatrijs
formeel als auteur identificeren.
In de XIIIde eeuw maakte het gehele gebied, dat nu Noord-Frankrijk
& België uitmaakt, een tijd van merkwaardige spirituele
veranderingen door. De 'Begijnen-beweging' (begonnen aan het
einde van de XIIde eeuw) floreerde. Eerst als kleine groepen
niet erkende (en soms vervolgde) spirituele vrouwen, leefden &
werkten de begijnen van het eerste uur in de buurt van
ziekenhuizen (soms geleid door een 'zienster', zoals Hadewijch).
Later (van Rome losstaand) plaatsten zij een direct, vaak
visionair, omgaan met God centraal.
De cisterciënzers (waartoe Beatrijs behoorde) waren in het
toenmalige Vlaanderen vooral door het werk van Bernardus van
Clairvaux (1090 - 1153) & diens mystiek van het hart populair
geworden. Voortbouwend op de 'kloosterrevolutie' van Cîteaux
(waarbij het 'model' van het benedictijnse officie klooster -
zoals Cluny- werd afgewezen omdat het een oorspronkelijke
beleving van de christelijke Boodschap belette) werkte Bernardus
een systematische mystieke metaforiek uit. Hierin kwam in de
eerste plaats de gevoelszijde van de mystieke ervaring aan bod.
Bernardus zélf stichtte 68 kloosters.
In de Bruidegomsmetaforiek van Bernardus wordt het duidelijk
dat wie op een volmaakte wijze liefheeft, huwt. De mystieke ziel
ervaart in en door haar hart de éénvormigheid van willen die tot
één geest worden ; een mystieke kus of bekroning van de
transportatie naar het hart.
In sterk affectief geladen 'nuptiale' & christocentrische
beeldspraak geeft Bernardus gestalte aan de mogelijkheid God
direct te ervaren, en dit zonder het wezensverschil tussen God
& ziel op te heffen. Immers, de Bruidegom verschijnt aan de bruid
zoals Hij wenst, niet zoals Hij is. Beatrijs bestudeerde het werk
van Bernardus, vooral dan diens Sermones in Cantica cantoricum.
Plaats geven aan het belevend individu kaderde in het 'Gotisch'
wereldbeeld. Beatrijs zal echter het voorwerp van de affectieve
metaforiek systematisch pogen te benaderen.
Tevens werd zij beïnvloed (via haar tijdgenote Hadewijch)
door Willem van St.-Thierry (1085 - 1148). Deze adellijke
Luikenaar verliet zijn geboortestad voor de school van Anselmus.
Later ontmoette hij Petrus Abelardus, en onderging de invloed van
de school van St.-Victor, de 'via negativa' (of 'negatieve'
theologie), de Joods-Arabische medische traditie & de Griekse
patristiek (Origenes & Gregorius van Nyssa). Hij trad uit om
cicterciënzer te worden. Via hem assimileerde Beatrijs de
Oosterse Kerk (de 'Orientale Lumen') & de mystiek van het 'niets'
(ps-Dionusios de Areopagiet), die Griekse (Pythagorisme,
neoplatonisme) & Oosterse (Egyptische & Indische) tinten bezat.
Zij werd zowel met de 'monastische' als de christelijke
neoplatoonse traditie geconfronteerd. Dit in een 'revolutionair'
& 'open' spiritueel klimaat. De synthese die we in haar tekst
terugvinden bezit dan ook een rijke & diepe mystieke verzonken-
heid. Door zijn authentieke belevingsintensiteit (hart) & zijn
impact op de 'homo normalis' (verstand) legt deze tekst de basis
voor een 'Dietse' 'cognitio Dei experimentalis' (de Parijse
kanselier Jean Gerson).
Beide wegen naar eenheid (affect & rede) hielpen Beatrijs
bij het aanboren van een oorspronkelijke mystieke bron : een
synthetische minne-mystiek waarin duidelijk wordt gemaakt hoe
de relatie tussen ziel & God de synthese is van lichamelijk
'werken', 'verstand', 'gevoel' (hart/ziel) & 'geest'
(wezen/'Eden').
Het gebruik van de volkstaal (o.m. door de Hertogen van
Brabant die minne-liederen schreven ... ) droeg op een
belangrijke wijze bij tot de ontplooiing van een 'mystieke bron'
die school maakte via Jan van Ruusbroec (1293 - 1381), de
Rijnlandse mystiek, Meister Eckehart (1260 - 1327/8) & de Moderne
Devotie. Beatrijs' minne is de 'moeder' van al deze mystiek.
De Zeven Manieren van Heilige Minne vormen een sluitend
geheel. Toch is het niet onwaarschijnlijk (gezien de slotzin aan
het einde van de zesde) dat Beatrijs haar jeugdwerk op latere
leeftijd omwerkte. De zevende manier vormt inderdaad het
magistraal sluitstuk van de verhandeling.
Elke 'manier' van 'minne' is als een bloemblaadje. Bij het
openen van de bloem speelt elk blaadje zijn rol. Bij een eerste
lectuur worden de 'manieren' in volgorde gelezen. Later merkt men
echter dat ze telkens één onderdeel van hetzelfde belichten, n.l.
'de minne'. Net zoals de bloemblaadjes bovenaan de stengel samen-
komen (daar waar waarnemer & waaier 'in minne' één zijn) ?
De 'minne' verenigt door toe te werken naar een 'Edenische
staat' & onderscheidt door haar exemplarische expressievormen,
die daarom 'heilig' heten. Elke 'wijze van doen' toont ons een
tijdelijk & uniek moment van de 'minne'. Zij zélf is voortdurend
'in proces'. Haar standvastigheid wordt enkel een feit nadat de
minnende ziel zich voortdurend geoefend heeft in al deze
expressievormen van de minne.
De 'manieren' zijn niet onverbonden, maar vormen samen de
'mystieke roos', die het dynamisch equilibrium eigen aan het
spiritualisatieproces uitbeeldt. In de 'zevende manier' bekroont
Beatrijs haar pad in & door de minne met een tijdloze, diepe
Wijsheid die gebed ligt tussen het Rijk van de Heilige Geest &
het tranendal van de 'wereld' (contemptus mundi).
Al mijn vertalingen gaan uit van de diplomatische uitgave
(Nijmegen, 1973) van het oudste handschrift (Brussel,
ca.1350). De studie van Beatrijs van Nazareth is onderdeel van
mijn onderzoek naar de relaties tussen kennis & mystiek. Het
eerste deel van deze studie werd in 1989 uitgegeven. Hierin kwam
het filologisch, historisch & hermeneutisch materiaal aan de orde
(of Beatrijs-studie), alsook mijn eerste vertaling die strikt
aansloot bij de poëtisch-ritmische kenmerken van het mystiek
Middelnederlands van Beatrijs.
Gedurende 1993 werd de tweede (modernere) vertaling door
anderen bekritiseerd & met nieuw materiaal geconfronteerd
(Vekeman, 1993). Zo krijgt deze tekst heden (eind 1993)
definitief vorm.
In Kennis & Minne-Mystiek (1994) wordt het onderzoek
samengevat als de studie van de kenstructuren eigen aan mystiek.
Structuur & pragmatiek van deze 'mystieke vorm' leggen samen de
basis voor een 'mysticologie'. Verwacht wordt dat deze
'mysticologie' centraal is voor een theoretische & praktische
'filosofie van de mystiek'.
OPMERKING OVER COMPOSITIE :
Alle commentatoren zijn het erover eens dat Beatrijs uitzonderlijk
compositorisch begaafd was (ermee rekening houdend
dat zij een vroeg Dietse tekst schreef).
De compositie kent een interne (binnen elke manier) & een
externe (tussen de manieren onderling) afdeling.
Intern loopt het als volgt :
a) definitie : legt de kern van de betreffende 'minne-
manifestatie' vast ;
b) ontwikkeling : beschrijft deze typische manifestatie als een
'groeiproces' met eigen psychische & fysische kenmerken ;
c) slot : herhaling van de kern & verwijzing naar een andere
manier.
Intern bemerken we de toepassing van de circulariteit die
we ook in de ondertitel aantreffen ('uit het hoogste terug
werken naar het hoogste'). De neoplatoonse inspiratie ligt voor
het grijpen (viz. Plato's Allegorie & Plotinus' hypostatische
emanatieleer -Enneaden-).
Voor de externe afdeling onderscheiden we drie modellen :
a) het 'gegradeerd' model (1320 in haar Vita) : elke 'manier' is
als een 'graad'. De mystieke 'opgang' wordt chronologisch &
hiërarchisch georganiseerd. Het in de qabalah gebruikte
'gradensysteem' (gebaseerd op de 'Boom des Levens' uit de Zohar)
komt hiermee overeen.
De 'Boom van het Leven' (Etz ha-Chayim) is het model van het
spiritueel groeiproces vervat in het Oude Testament. Het omvat
een 7-tal graden. De hoogste graad (de zevende) verleent toegang
tot de directe ervaring van de Drieëenheid tussen 'Atiqa', de
Oude, de Kroon of "oer-eenheid" (Kether of 1), 'Abba', de Hemelse
Vader, de Wijsheid of "intuïtie" (Chockmah of 2) & 'Aima', de
Hemelse Moeder, het Begrip of "cosmisch intellect" (Binah of 3).
Dit geeft in totaal 10 graden.
Met elke graad komt een 'symbolisch register' overeen.
Hierin krijgen alle kenmerken van de ervaringen die met de graad
overeenkomen algebraïsch, geometrisch, analoog & metaforisch
vorm. De Spaanse qabalisten waren vooral in de XIIde & XIIIde
eeuw actief (Moses ben de Leon). Er werd veel kennis tussen
joden, christenen & islamieten uitgewisseld.
Volgende overeenkomsten springen op de voorgrond :
Ie manier = 1° (10 - Malkuth, Koninkrijk): het verwerven van
trouw in het mystiek zoeken. In de Westerse traditie (Qaba-
listen, Tempeliers & Vrijmetselaars) is dit de graad van
"Zelator", d.w.z. elkeen die het 'mystieke vuur' (ignis
philosophicus), dat in het 'alchemistisch fornuis' (athanor) voor
de gewilde transfiguratie moet zorgen, kan 'wakker houden'. Dit
is vergelijkbaar met de intensiteit waarmee de ziel de Edenische
toestand wil actualiseren. Ook met de 'Eros' van de ware zoeker.
IIde manier = 2° (9 - Yesod, Fundament):
het verwerven van de juiste mystieke grondhouding : het dienen
zonder waarom, om niet. Dit is van belangeloosheid het
'fundament' van het 'Grote Werk' maken. Volgens de Westerse
traditie is dit enkel mogelijk wanneer de ziel over een gedegen
'theoretisch' kader beschikt (weten om te dienen). Het is de
graad van "Theoreticus", of de purificatie van het Ego door
vrijwillige dienstbaarheid.
IIIde manier = 3° (8 - Hod, Luister) :
een eerste concrete 'oneindigheidservaring' (diep & zeker besef
van de luister Gods) ; de graad van "Practicus". Vooral de
botsing tussen het oneindigheidsverlangen (ontstaan nà genoemde
ervaring) & het concrete feit van de eindigheid van de ziel weegt
door.
IVde manier = 4° (7 - Netzach, Overwinning) : een eerste
'extatische ervaring' (extreme ervaring van de oneindigheid
waarin elke vorm van identiteit dreigt op te lossen) ; de graad
van "Philosophus". De ziel moet beseffen dat de extase haar niet
tot het wezen van haar eigen activiteit voert (de extase maakt
de ziel één met God waardoor haar lichaam haar ontvalt). Beseffen
dat dit niet mogelijk is brengt de overwinning.
Vde manier = 5° (6 - Tiphareth - Schoonheid) : de graad van
"Adeptus Minor". De ziel wordt aan het kruis genageld om via de
pijn de grenzen van haar geest direct te ervaren om zo een wezen-
lijk & blijvend evenwicht te scheppen.
VIde manier = 6° (5 - Geburah - Strengheid) : de graad van
"Adeptus Mayor". De ziel kent de grenzen van haar geest en
contempleert wanneer zij dat wil. De handeling veruitwendigt het
wezen van de ziel. De ziel is vrij om alles te doen wat zij zelf
wil. Dit handelen naar wil impliceert een strengheid, want de
ziel ontziet niets of niemand ...
VIIde manier = 7° (4 - Gedulah - Mededogen) : de graad van
"Adeptus Exemptus". De ziel is bevrijd van zichzelf. Zij is
gelukzalig. Door haar contemplatieve krachten schouwt zij voorbij
de grenzen van haar geest en bewandelt zij het pad van haar eigen
transfiguratie. In dit tranendal kan zij enkel al Geest worden
(Binah) en dit terwijl zij verzuchtend op haar Bruidegom
(Chockmah) wacht. Zij helpt haar medemens zonder zich het leed
van deze sombere wereld wezenlijk aan te trekken. Zij helpt,
kijkt toe & schouwt. Dit is haar mededogen. Zo wacht ze tot haar
lichaam zacht sterven mag en zij geestelijk de Bruidegom blijvend
kan beminnen.
Het is weinig waarschijnlijk dat Beatrijs rechtstreeks door
de qabalah beïnvloed werd. Om de overeenkomsten tussen beide
modellen uit te leggen, kunnen allerlei hypothesen geformuleerd
worden. Dat de mystieke ervaring universele kenmerken bezit,
werd recentelijk door de vergelijkende godsdienstwetenschap &
de transpersoonlijke psychologie duidelijk aangetoond (Bucke,
Stace, Tart, Maslow, Wilber et.all.).
b) het 'energetisch' model (onze eeuw) : de tekst toont ons die
'momenten' die van centraal belang zijn voor de 'stroom' van de
'minne-energie'. Deze 'stroom' impliceert : 1) aanvang/afsluiting (0),
2) afwijzing (-) & 3) aantrekking (+) :
- = III & IV
0 = I & VI & VIII
+ = II, IV
c) het 'Edenisch' model : de 'Edenische Oerstaat' (puur, vrij en
edel) vormt de 'rode draad' waarmee we alle manieren met elkaar
kunnen verbinden. Deze staat symboliseert het 'oorspronkelijke'
dat door de 'goede' ziel kan teruggewonnen worden. Begrijp elke
'manier' als één 'moment' (of 'graad') eigen aan het
spiritualisatieproces 'in de minne'. De Edenische toestand
impliceert dat het 'imago Dei' in het bewustzijn geactualiseerd
is. Dit gebeurt in en door de zeven manieren, zodat we de 'minne'
ook kunnen vatten als het spiritualisatieproces zélf. Elk moment
organiseert 'de minne' in het licht van de unieke inhoudelijke
kenmerken van de Edenische toestand. De modellen kunnen
gecombineerd worden.
---
HET GEBRUIK VAN HET GETAL 7 :
De studie van de historische bronnen van dit gebruik is hier
niet aan de orde. Ik beperk mij tot de analoge classificatie van
begrippen & rituelen uit de Katholieke Catechese. Hieruit blijkt
op zijn minst dat het Christendom aan het getal '7' steeds een
centrale symbolische betekenis heeft toegekend.
Dat deze analogieën historisch pre-Christelijk geworteld zijn
mag blijken uit deze eerste 'heidense' tafel :
| Getal | Sephiroth (qabalah) | Planeet-goden (hermetiek) | Artes Liberales |
| 1 | 10 | Saturnus | rekenkunde |
| 2 | 9 | Maan | meetkunde |
| 3 | 8 | Mercurius | sterrenkunde |
| 4 | 7 | Venus | muziek |
| 5 | 6 | Zon | grammatica |
| 6 | 5 | Mars | logica |
| 7 | 4, 3, 2, 1 | Jupiter | retorica |
Een andere tafel :
| Getal | Sacramenten | Katholieke Orde-graden | Gaven van de H.Geest |
| 1 | doopsel | portier | Godsvrees |
| 2 | vormsel | exorcist | vroomheid |
| 3 | Eucharistie | voorlezer | wetenschap |
| 4 | huwelijk | acoliet | kracht |
| de pas | onderdiaken | ||
| 5 | zalving | diaken | raad |
| 6 | penitentie | priester | begrip |
| 7 | priesterschap | bisschop | wijsheid |
Dat we de verschillende momenten eigen aan het minne-proces ook analoog kunnen 'inpassen' blijkt uit de correspondenties met de kardinale & theologale deugden :
| Manier | Momenten van minne | Deugden |
| 1 | imago Dei zoeken | matigheid |
| 2 | dienen om niet | voorzichtigheid |
| 3 | orewoet ervaren | rechtvaardigheid |
| 4 | extase ervaren | krachtdadigheid |
| 5 | insania amoris | geloof |
| 6 | contemplatie | hoop |
| 7 | transfiguratie | naastenliefde |
Door omkering vinden we de correspondenties met de 'Boom van de Dood' (qlipoth) die door het principe 'diabolus est Deus inversus' schijnbaar reëel wordt. Immers, het kwaad 'is' intrinsiek niet (privatio boni). Is het als de schaduw van dat wat werkelijk bestaat ?
| Anti-getal | Soort demon (monastische traditie) | Doodzonde (theologie) |
| - 1 | gulzigheid | gulzigheid |
| - 2 | ontucht | onzuiverheid |
| - 3 | hebzucht | gierigheid |
| - 4 | droefheid | afgunst |
| - 5 | toorn | woede |
| -6 | lusteloosheid | luiheid |
| -7 | ijdele glorie | hoogmoed |
De coherentie van deze correspondenties blijkt na studie van
de Catéchisme de L'Eglise Catholique, Mame/Plon - Paris, 1992.
---
KORTE BIBLIOGRAFIE :
Bernadus van Clairvaux : Traité de l'Amour de Dieu,
Lethielleux-Bruges, 1929.
Déchanet, J.M. : Aux Sources de la Spiritualité de Guillaume
de St.-Thierry, Beyaert-Bruges, 1940.
Heymans, J. & Tersteeg, J. : Seuen Manieren van heiliger
minnen (diplomatische uitgave), Universiteit van Nijmegen
(sectie handschriften) 1973.
Leclercq, J. : Saint Bernard Mystique, De Brouwer-Paris, 1948.
Mens, A. : Oorsprong & Betekenis van de Nederlandse Begijnen-
en Begaarden-beweging, KUL-Leuven, 1947.
Reypens, L & Van Mierlo, J. : Beatrijs van Nazareth, Seuen
Manieren van Minne, De Vlaamse Boekenhalle-Leuven, 1926.
Vekeman, H.W.J. & Tersteeg, J.J. : Beatrijs van Nazareth : Van
Seuen Manieren van Heiliger Minne, Thieme-Zutphen, 1970.
Vekeman, H.W.J. : Beatrijs van Tienen : Seuen Manieren van
Minne (in 2 delen), KUL-Leuven, 1967 (doctorale thesis).
Vekeman, H.W.J. : Hoezeer heeft God mij bemind, Altiora -
Averbode, 1993.
Dungen, van den, W. : Kennis en Minne-mystiek, Antwerpen,
1994.
Dungen, van den, W. : Zeven Manieren van Heilige Minne : een
Interpretatie, Antwerpen, 1995.
Heeroma, H. : "Beatrijs van Tienen 1268 - 29 augustus 1968",
in Spelend met de spelgenoten, fakulteitenreeks 12, Den Haag,
1969.
Reypens, L. : "De 'Seven Manieren van Minne' ge_nterpoleerd ?"
in Ons Geestelijk Erfdeel (OGE), 5, 1931.
Vekeman, H. : "Vita Beatricis & Seuen Manieren van Minne. Een
vergelijkende studie" in OGE, Ruusbroec-Genootschap - Antwerpen,
deel XLVI, afl.1, 1972.
---
DE OERTEKST VAN DE VLAAMSE MYSTIEK :
(handschrift van Brussel -ca.1350- volgens de diplomatische
uitgave, Nijmegen 1973).
VAN SEUEN MANIEREN VAN HEILIGER MINNEN.
SEuen manieren sijn van minnen die comen vten hoegsten.ende
werken werder ten ouersten.
Die ierste es ene begerte die comt werkende uter minnen si moet
lange regneren int herte eer si al die wedersake wale mach
verdriuen.ende si moet met crachte ende met behendicheiden
werken ende vromelike toe nemen in dit wesen Deene maniere es
ene begerte die sekerlike compt vter minnen (.) dat es dattie goede
siele die getrouwelike wilt volgen ende gewaerleke wilt minnen
datsi es getrect in die begerte te vercrigene ende te wesene in
die puerheit ende in die vriheit ende in die edelheit daer si in
ghemaket es van haren sceppere na sijn beelde ende na sijn
ghelikenesse dat hart es te minnene ende te huedene.hier in so
begeertsi al hare leuen te leidene ende hier mede te werkene ende
te wassene ende te clemmene in meerre hoecheit van minnen.ende
in naerre kinnesse gods tote dier volcomenheit daer si toe
volmaket es ende gheroepen van gode.hier na steet si vroech ende
spade.ende soe leuert si hare seluen al te male. ende dit es hare
vraginghe ende hare leeringhe ende hare eischinge te gode.ende
hare peinsinge hoe si hiertoe comen mach ende wie si moghe
vercrighen die naheit ter gelijcheit der minnen in alre sierheit
der dogheden.ende in alre puerheit der naester edelheit der
minnen. Dese siele besuect dicwille erenstelec wat si es.ende
watsi wesen soude.ende wat si heeft ende wat hare begerten
ghebrect.ende met al haren nerenste.ende met groter begerten
ende met al dier behendicheit datsi mach so pijnt si hare te huedene
ende te scuwene al dat hare commeren mach ende letten te
dusgedanen werken ende nemmer engherust hare herte noch
enghecist van suekene ende van eischene.ende van leerne.ende
an hare te treckene ende te behoudene al dat hare helpen mach
ende vorderen ter minnen.Dit es die meeste ernst der sielen die hier
es gheset ende die hier in moet werken ende seere arbeiden.tote
dien male datsi met ernste ende met trouwen vercreghen heuet
van gode.dasi vorwaert meer sonder lettenisse van verledene met
staden moge dienen der minnen.met uirer consciencien ende met
puren gheest ende claren verstannisse.dusgedane maniere van
begerten van so groter purheit.ende edelheit.die comt sekerleke uter
minnen ende niet van vreesen.want die vreese doet werken ende
dogen.doen.ende laten van anxte der abolghen ons heren ende
dies ordeels van dien gerechtegen rechtre.ofte dier eeweliker wraken.
ofte der te ganckeleker plagen.Maer die minne es allene werkende
ende staende na die purheit ende na die hoecheit.ende na die ouerste
edelheit.alsi selue es in hare seluen.wesende.ende aldusgedane
werc. so leert si den ghenen die hars plegen
dander maniere der minnen.
SElcstont heeft si oec ene ander maniere van minnen.dat es
datsi ondersteet onsen here te dienne te uergeues allene met
minnen.sonder enich waeromme ende sonder eneghen loen van
gratien ofte van glorien.ende also gelijc alse .i. Ionfrouwe die dient
haren here van groter minnen ende sonder loen.ende hare dat
genuecht datsi heme moge dienen.ende dat hi dat gedoget datsi hem
gediene.also begert si met minnen te dienne der minnen sonder
mate ende bouen mate ende bouen menschelike sin ende redene met
allen dienste van trouwen.alse hier in es so es si so bernende
in der begerten so gereet in dienste.so licht in arbeide.so
sachte in onghemake.so blide in vernoye.ende met allen dien datsi
es.so begert si heme lieue te doene.ende so es hare dat
genuechlec.datsi iet vint te doene.ende te dogene in der minnen
dienste ende in sijn eere
die derde maniere van minnen
Andre maniere van minnen heeft die goede ziele op selken tijt.
daer vele pinen ende weelicheiden ane geleghet.dat es datsi
begheert der minnen genouch te doene.ende te volgene in alre eren
ende in allen dienste ende in alre ghehorsamheit ende in alre
onderdanicheit der minnen.Dese begerte wert onderwilen seere
verstoremt (.) in der zielen.ende so begrijpt si met starker
begerten alle dinc te doene ende alle dogen te volgene.al te
dogene ende te verdragene.ende al hare werke sonder sparen ende
sonder mate in der minnen te volgene.In desen so es si harde
ghereet in allen dienste ende willich ende onueruaert in arbeide
ende in pinen.nochtan blijftsi onghenuget in al haren werken.Maer
bouen al es hare dat die meeste pine.datsi na hare grote begerte
niet genouch encan gedoen der minnen.ende dat hare so vele moet
ontbliuen in der minnen.Si weet wale dat dit es bouen menscelec
werke ende bouen alle hare macht te doene.want datsi beghert (.)
dat es onmogelike ende onwesenlec allen creaturen.dates dat si
mochte doene allene.also vele alse alle menschen van ertrike.ende
alse alle die geeste van hemelrike ende al dat creature es bouen
ende beneden ende ontelleke vele meer in dienste ende in minnen
ende in eren na die werdicheit der minnen ende dats hare oec so
vele ontbliuet in den werken dat wilt si eruullen met geheelen
wille ende met starker begerten.Maer dat enmach hare niet
genueghen.si kint wale.dat dese begerte te eruulne es verre bouen
hare macht ende bouen menschelike redene ende bouen alle
sinne.nochtan encan si hare niet gematen noch bedwingen noch
gestillen.si doet al datsi mach si danket ende louet der minnen.
si werct ende arbeit om minne.si sucht ende begert die minne.si
leuert hare seluen al op ter minnen.al dit engheuet hare geene
raste.ende dat es hare ene grote pine datsi dat moet begeren
datsi niet enmach vercrigen.ende hier omme moet si bliuen in die
weelicheit van herten ende wonen in der ongenuechten.ende so es
hare alse of si al leuende steruet.ende steruende die pine van
der hellen gewelt ende al hare leuen es hellechtich ende ongenade
ende ongenuechte van der vreeslecheit der anxteliker begerten
dier si niet genouch enmach gedoen noch oec gestillen noch
gesaten.in der pinen moet si bliuen tote dien male datse onse
here troest ende set in andre maniere van minnen ende van
begerten ende in noch naerre kinnesse te heme.ende dan moet si
werken na dien dat hare wert gegeuen van onsen here.
die vierde maniere van minnen
Noch pleget onse here ander maniere te gheuene van minnen ende
selcstont in groter waelheiden, selcstont in groter welegheiden
daer wi nv af willen.selcstont gesciet dattie minne sueteleke in
der zielen verwecket wert ende blideleke op ersteet.ende datsi
hare seluen beruert int herte.sonder enich toe doen van
menscheliken werken Ende so wert dan dat herte si morweleke
gerenen van minnen.ende so begerleke getrect in minnen.ende soe
herteleke beuaen met minnen.ende so starkeleke bedwongen met
minnen.ende so liefleke behelst in minnen.datsi altemale
verwonnen wert metter minnen.hier inne ghevuelt si ene grote
naheit.te gode ende ene onderstendeleke clarheit.ende ene
wonderleke verwentheit.ende ene edele vriheit.ende ene verweende
suetheit.ende een groet beduanc van sterker minnen.ende een
oueruloedege volheit van groter genouchten.ende dan ghevuelt si
dat al hor sinne sijn geheilicht in der minnen ende hare wille
es worden minne.ende datsi so diepe es versonken ende verswolgen
int afgront der minnen.ende selue al es worden minne Die
scoenheit der minnen heeftse geten (.) die cracht der minnen
heeftse verteert. Die sueticheit der minnen heeftse versonken.
Die groetheit der minnen heeftse versuolgen. Die edelheit der
minnen heeftse behelst.die purheit der minnen heeftse
ghesiert.ende die hoecheit der minnen heeftse bouen getrect.ende
in hare geenicht also datsi altemale der minnen moet wesen.ende
niet anders dan minnen enmach plegen.alse aldus hare seluen
gevuelt in die oueruloedicheit van waelheit.ende in die
(gerechte) grote volheit van herten soe wert hare geest altemale
in minnen versinkende.ende hore lichame hare ontsinkende.hare
herte versmeltende ende al hare macht verderuende.ende seere wert
si verwonnen met minnen datsi cumelike hare seluen can
gedragen.ende datsi dicwile ongeweldich wert haerre lede ende al
hare sinne.ende also gelijc alse .i. vat dat vol es alsment ruret
haesteleke oueruloyt ende vut welt.also wert hi haestelec sere
gerenen ende al verwonnen van der groter uolheit (.) hars herten
so datsi dicwile hars ondanx vut moet breken.
Selcstont die.vifte maniere der minnen gesciet oec dat die minne
in der zielen starkeleke verwecket wert.ende stormeleke op
ersteet met groten geruse ende met groter verwoetheit.alse oft
si met gewout therte seere breken .ende sele trecken vut hare
seluen ende bouen hare seluen in die ufeninghe van minnen ende
int gebreken der minnen.ende stout wertsi oec getrect in die
begerte teruulne die grote werke in die pure werke der minnen
ochte terlangene die menichfoudeghe eischinghen van minnen.ofte
si begert te rustene in die suete behelsingen van minnen ende in
die begerleke waelheit ende in die genuechlicheit van hebbinghen
so dat hare herte ende hare sinne.dit sijn begerende ende
erensteleke sukende ende hertelike meinende alsi hier in es so
es si so starc in den geeste.ende vele begripende in therte ende
vromeger an dien lichame.ende spoedegher in den werken ende
seere doende van buten ende van binnen.so dat hare seluen dunct
dat al werket.ende onledich es dat an hare es.al es si oec al stille van
buten. Met desen so gevuelt si so starc tragenisse van binnen
ende so grote verhangenheit van minnen ende vele ongeduricheiden
in der begerten.ende menegerande wee van groter ongenuechten
ofte si gehevuelt weelicheit van groten gevuelne der minnen selue
sonder enich waeromme.ofte van dien datsi sonderlinge eischende
es met begerten in der minnen ofte van ongenuechten der
onghebrukelicheit van minnen ondertusschen so wert minne so
onghemate ende so ouerbrekende in der sielen (.) alse hare seluen
so starkeleke.ende so verwoedelike bernt int herte dat hare dunct
dat hare herte menichfoudeleke wert seere gewont.ende dat die
wonden dagelix veruerschet werden ende verseert in smerteliker
weelicheiden ende in nuer iegenwordicheiden.ende so dunct hare
dat hare adren ontpluken.ende hare bloet verwalt.ende hare march
verswijnt.ende hare been vercrencken ende borst verbernt .ende
hare kele verdroget so dat hare anscijn ende al hare lede
gevuelen der hitten van binnen.ende des orwoeds van minnen.si
gevuelt oec die wile dat een gescutte geet dicwile dor hare herte
toter kele.ende vort toten hersenen.alse of si hars sins gemissen
soude.ende also gelijc alse .i. verslendende vier dat al in heme
trect (.) ende verteert dat uerwerdegen mach .alsoe ghevuelt si
dattie minne uerwoeddelike binnen hare es werkende sonder sparen
ende sonder mate ende al in hare treckende ende terende.ende hier
mede wertsi sere ghequetst ende hare herte sere gecrenct ende al
hare macht verderuet.hare siele wert ghevoedt.ende hare minne
gheuoestert.ende hare geest verhangen.want die minne es so hoghe
bouen alle begripelicheit.datsi negeene gebrukelicheit van hare
enmach vercrigen.ende van der weelicheide so begertsi selcstont
den bant te brekene niet de enecheit der minnen te scorne metten
bande der minnen es si so sere beduongen ende metter onmaten der
minnen es si al verwonnen so datsi ne can gehouden mate na redene
noch geuefenen redene met sinne noch sparen met maten.noch
geduren na vroetheit.so hare meer wert gegeuen van bouen so si
meer es eiscende.ende so hare meer wert uertoent.so si meer
uerhangen wert in begerten naerre te comene den lichte der
warheit ende der purheit .ende der edelheit ende der
gebrukelicheit der minnen.ende altoes wert si meer ende meer
getenet ende getrect ende niet genuget so gesadet.Dat selue dat
hare meest ganst.ende sacht ende dat hare sleet die wonden.dat
geuet hare.allene ghesunde.
die.seste minne
Alse die bruut ons heren vorder es comen.ende hoger geclommen
in merren vromen.so geuult si noch andre maniere van minnen in
naerren wesene ende in hogeren bekinne.si geuult dat die minne
verwonnen heft al hare wedersaken binnen hare.ende datsi
ghebetert heft die gebrekingen ende ghemeestert heft dat wesen
ende hars selfs altemale sonder wederseggen.geweldich es worden.
also datsi therte beseten heeft in sekerheiden ende gebruken mach
in rasten ende ufenen moet in vriheiden .alsi hier in es soe
dunct hare alle dinc wesen clene ende licht te doene ende te
latene.te dogene ende te verdragene dat behort ter werdicheit der
minnen.ende so es hare sachte hare seluen te ufene in der
minnen.dan so geuult si ene godeleke mogentheit.ende ene clare
purheit.ende ene geestelike sutheit ende ene begerlike vriheit.
ende ene onderstedege wijsheit ende ene sachte effenheit te
gode.ende dan es si gelijc ere husurouwen die hare husce wale
heeft begert.ende wiseleke besceden ende scone gheordineert ende
vorsienlike bescermt ende vroedelike behoedt ende met onderscede
werct ende si doet in ende si doet ute ende si doet ende laet na
haren wille.also gelijc met derre sielen so es die minne binnen
hare geweldelike regnerende ende mogendeleke werkende ende
rustende doende ende latende van buten en de binnen.na haren
wille.ende also gelijc als die visch die swimmet in die wijtheit
van der vloet.ende rast in die diepheit .ende als die vogel die
vlieget in die gerumheit ende in die hoegheit van der locht.also
gelijc geuult si haren geest vrieleke wandelende in die diepheit
ende in die gerumheit ende in die hoecheit der minnen. Die
geweldicheit der minnen heeft die ziele gerect ende
geleidt.behuet ende besceremt.ende si heeft hare gegeuen die
vroetheit ende die wijsheit.die suetheit ende die starcheit der
minnen.nochtan heftsi hare geweldicheit der zielen uerborgen tote
dies male datsi in meerre hoecheit es geclommen ende datsi
altemale hars selfs es worden (vri).ende dattie minne
geweldeleker regneert binnen hare.dan maectse minne so coene ende
so vri datsi en ontsiet noch menschen noch viant.noch ingel noch
heilegen.noch gode selue in al haren doene ofte latene in werkene
ofte in rastene ende si ghevuelt wale dattie minne es binnen
hare.alsoe wacker ende also sere werkende in der rasten des
lichamen alse in vele werken.si kent wale ende geuult dattie
minne niet engheleget in arbeide noch in pinen in die ghene daer
si in regneert. Maer alle die willen comen ter minnen si moetense
sueken met vreesen ende na volgen met trouwen ende ufenen met
begerten.ende si ne mogent in sparen in groten arbeide ende in
vele pinen ende in onghemake te dogene.ende alle clene dinc
moetensi achten groet tote dien male dat si daer toe comen dattie
minne binnen hare regnere.die geweldelike wert der minnen weert
ende die alle dinc clene maket ende alle arbeide sachte.ende alle
pine versutet.ende alle scout quijt.dit es vriheit der
conscientien ende sutheit des herten.ende goetheit der sinne.ende
edelheit der sielen.ende hoecheit des geests ende beginsel des
eweliken leuens. Dit es itoe hier een ingelec leuen.ende hier na
volght dat ewelec leuen.dat god omme sine goetheit moete ons
allen gheuen.
die.vij. maniere der minnen
Noch heuet die salege ziele ene maniere van hoger minnen die
hare niet luttel geuet van binnen.dat es datsi es getrect bouen
menschelicheit in minnen ende bouen mensceliken sin ende redene
ende bouen alle die werke ons herten ende allene es getrect met
eweliker minnen in die ewelicheit der minnen.ende in die
onbegripelike wijsheit ende die ongerusleke hoecheit.ende in die
diepe afgronde der godheit die es al in alle dinc.ende die
onbegripelec bliuet bouen alle dinc.ende die es onwandelec al
wesende al mogende.al begripende.ende al geweldeleke
werkende.hier in es si so moruleke gesonken in minnen ende so
sterkeleke getrect in begerten.dat hare herte es sere douende
ende ongedurich van binnen.hare ziele vloiende ende doiende van
minnen.hare geest uerwoeddelike uerhangen van sterker begerten
ende hier toe trecken al hare sinne.datsi wilt wesen int gebruken
der minnen.dit eischet si erensteleke te gode ende dit suct si
hertelike van gode.ende dit moetsi sere begeren.want minne
enlaetse noch gecissen noch geresten.noch in vreden wesen minne
trectse bouen ende si heltse neder si versuecse saen ende si
queltse weder.si geeft die doot ende brinct dat leuen.si geeft
gesunde.ende wont dat weder. Si maecse dul ende vroet daer
weder.aldus trect si in hoger wesen.aldus es si geclommen met
geeste.bouen den tijt in die ewelicheit der minnen die es sonder
tijt.ende si es herheuen bouen menscelike maniere in minnen ende
bouen hars selfs nature in begerten daer bouen te wesene.dat es
hare wesen ende har wille.hare begerte ende hare minne in die
sekere waerheit ende in die pure clarheit ende in die edele
hoecheit.ende in die verwende scoenheit ende in die suete
geselscap van den ouersten geeste die al vloien van oueruloedeger
minnen.die sijn int clare bekinnen ende int hebben ende int
gebruken hare minnen.die wile es daer bouen onder die geeste hare
begerleke wandelinge ende meest onder die bernende seraphine in
die grote godheit ende in die hoge drieuuldicheit es hare
liefleke rustinge ende hare genuechleke woninge.si suctene in
sire maiesteit.si volget heme daer ende sieten ane met herten
ende met geeste.si kintene.si mintene.si begertene so seere.datsi
ne can geachten noch heilegen noch menschen noch ingle noch
creaturen dan met gemeenre minnen in heme daer si al mede
mint.ende heme allene heft si vercoren in minnen bouen al ende
onder al ende binnen al.so datsi met al der begerlicheit hars
herten.ende met al der cracht hars geests so begertsi heme te
siene ende te hebbene.ende te gebrukene.hieromme es hare ertrike
een groet ellende .ende .i. starc geuancnisse ende .i. sware
quale.die werelt uersmaetsi erderike uerwasset hare ende datten
ertrike behort dat encan hore noch gesuten noch genughen. ende
dat es hare .i. grote pine datsi so verre moet wesen ende so
uremde scinen hare ellende enmach si niet vergeten.hare begerte
enmach niet gestillet werden .hare uerlancnisse queltse
iammerlike.ende hier mede .wertsi gepassijt ende getorment bouen
mate ende sonder genade.hier omme es si in groet verlancnisse
ende in starke begerte ute desen ellende te werdene verledecht
ende van desen lichame ontbonden te sine.ende so segtsie die wile
met sereleken herten.alse die apostelen dede.die seide. Cupio
dissolui et esse cum christo.Dat es.Ic begere ontbonden te
sine.ende te wesene met kerste .also gelijc es die siele in
starke begerten ende in weeleker ongeduricheit uerledicht te
werdene ende met kerste te leuene.Niet van uerdriete des
iegenwordichs tijts noch van ureesen des toecomens vernoys maer
allene van heiliger minnen ende van eweliker minnen so begertsi
niedeleke ende doientleke ende sere verlancleke te comene in dat
lantscap der ewelicheit.ende in die glorie der gebrukelicheit.
Die uerlancnisse es in hare groet ende starc.ende hare ongheduren
es swaer ende hart.ende hare pine es ontelleke groet die si van
begerten doget .nochtan moet si in hopen leuen.ende hope doetse
haken ende quellen.Ay heilige begerte der minnen.wie staerc es
uwe cracht in der minnen der sielen.het es ene salige passie ende
.i. scarp torment.ende ene uerlangen quale ende ene mordeleke
doet ende steruende leuen.Dar bouen encansi noch niet comen.hier
neder enmachsi noch geresten noch geduren ende om heme te
pensene encansi van verlancnessen niet gedragen. ende sijns
tonberne gheeft hare van begerten die quale.ende aldus so moet si
leuen met groten ongemake.hier omme eist datsi noch enmach noch
enwilt getroest werden.als die prophete seget. Rennuit consolari
animam meam et cetera.Dat es mijn ziele ontsegt getroest te sine
also ontsegt si allen troest dicwile van gode selue ende van sinen
creaturen.want alle die rasten die hare daer af mogen gescien.dat
sterket meer hare minne ende trecket hare begerte in een hoger
wesen ende dat uernuwet hare verlancnisse der minne te
plegene.ende int gebruken der minnen te wesene.ende sonder
genuechte in ellenden te leuene.ende so bliuet si ongesadet ende
ongecosteghet in allen ghiften om datsi noch daruen moet der
iegenwordicheit hare minnen.Dit es .i. harde arbeidelec leuen
.want si niet getroestet hier enwilt werden.si enhebbe vercreghen
datsi suect so ongehermegleke. Minne heftse getrect ende
geleidet ende geleret hare wege.ende daer heft si geuolget
getrouwelike.dicwile (.) in groten arbeit ende in vele werken.in
groter uerlamenissen ende in starker begerten in menich ongeduren
ende in groter ongenuchten in wee ende in wale.ende in meneghe
quale in sukene ende in eischene ende in deruene ende in hebbene
in climmene ende in hangene in volgene ende in na langene in node
ende in commere.in doiene ende in uerderuene In grote trouwe ende
in vele ontrouwen in lief ende in leet.so es si in dogene
gereet.In doet ende in leuen.wilt si der minnen plegen.ende int
gevoelen hars herten. dogetsi meneghe smerte.ende om der minnen
wille so begertsi dat lantscap te gewinne.ende alsi hare al in
dit elende heft besocht.so es in glorien al hare toe ulocht.want
dar es recht der minnen werc.datsi dat naeste wesen begert.ende
datsi meest uolcht den naesten wesene.daer si der minnen meest
in macht plegen.hier omme wiltsi altoes der minnen uolghen.minne
bekinnen ende minne gebruken.ende dat enmach hare in dit ellende
niet gescien.daeromme wiltsi te lande wert tiden.daer si hare
woninge in heft gesticht.ende daer si met minnen ende met
begerten in rest.Daer wert alre lettenisse afgedaen.ende si wert
daer liefleke van lieue ontfaen .daer salsi niedeleke anesien
datsi so morwelike heft gemint.ende si salne hebben te haren
euweliken vromen.diensi so getrouwelike heft gedient.ende si sal
sijns gebruken met volre genuchten dien si dicke in hare siele
met minnen heft behelset.ende daer sal si gaen in die bliscap
hars heren.also als sinte Augustijn seget.Qui in te intrat in
gaudium domini sui et cetera. Dat es o here die in gheet in di
hi geet in die bliscap sijns heren ende hine sal heme niet
ontsien Maer hi sal hem hebben alre best in den alre besten. Daer
wert die siele geenicht met haren brudegome ende wert al een
geest met heme in onscedeliker trouwen ende in eweliker minnen
.ende die hem geufent heft in den tijt der gratien die sal sijns
gebruken in eweliker glorien daermen niet anders ensal plegen
(daer) dan louen ende minnen.daer moete god ons allen toe
bringhen.amen.
VERTALING NAAR HET HEDENDAAGS NEDERLANDS :
OVER ZEVEN MANIEREN VAN HEILIGE MINNE.
Uit het hoogste komen zeven manieren van minne die terugwerken
naar het hoogste.
De eerste is een begeerte die al werkend voortkomt uit de
minne. Ze moet lang heersen in het hart eer ze alle tegenstand
terdege kan verdrijven, en ze kan niet anders dan met kracht en
schranderheid te werk gaan en moedig hierin groeien.
Deze eerste manier is een begeerte die zeer zeker uit de minne
voortkomt, want de goede ziel die trouw wil volgen en duurzaam
wil minnen wordt voortgetrokken door de hunkering naar deze
begeerte -die ten zeerste te minnen en te behoeden is- om te
bestaan in puurheid en vrijheid en edelheid waarin zij gemaakt
is door haar schepper naar zijn beeld en tot zijn gelijkenis.
Zij begeert op deze manier heel haar leven door te brengen,
en hieraan te werken en hierin te groeien en op te klimmen tot
nog hogere uitmuntendheid in de minne, meer verbonden door
kennis van God, tot aan de volkomenheid toe waartoe zij uitgerust
en geroepen is door God.
Daar richt zij zich op vroeg of laat, en daarom zet zij zich
helemaal in. En dit is haar vragen en haar wil tot weten en haar
bede tot God. En haar nadenken over hoe zij dit bereiken kan en
hoe zij het nabijzijn aan de gelijkheid met de minne verkrijgen
kan in alle pracht van de deugden, en in de gehele puurheid van
de in haar herstelde adel van de minne.
Deze ziel onderzoekt dikwijls ernstig wat zij maar is, en wat
zij zou moeten zijn, wat zij heeft, en wat er aan haar begeerte
toch ontbreekt. Met al haar ernst, en met steeds grotere begeerte,
en met al de schranderheid die zij vermag, spant zij zich in zich te
hoeden voor en te schuwen wat haar hinderen en beletten kan
van vorderingen te maken in de minne. Zo spant zij zich in om al
wat haar helpen kan en voortbrengen kan naar de minne naar zich
toe te trekken en te behouden. En nooit rust het hart of bedaart
het van het zoeken, het eisen en het leren.
Dit is de hoogste zorg van de ziel die in deze toestand is
geplaatst en die hierin moet werken en zwoegen, tot op het
ogenblik dat zij door haar ernst en door haar trouw van God
verkrijgt dat zij voortaan zonder belemmeringen van het verleden
blijvend de minne dienen kan, met een vrij bewustzijn en met pure
geest en klaar verstand.
Een dergelijke manier van begeren van zo'n grote puurheid en
edelheid, komt zeker uit de minne voort en niet uit vrees. Want
vrees doet lijden, doen en laten uit angst voor de toorn van onze
Heer en het oordeel van de rechtvaardige rechter, of uit angst
voor eeuwige wraak, of uit angst voor vergankelijk onheil.
Maar de minne evenwel streeft in haar werking uitsluitend naar
de puurheid en de uitmuntendheid, en de hoogste edelheid, die
haar eigen wezen eigen zijn.
En aan hen die zich aan haar wijden, leert ze om eveneens zo
te leven.
De andere manier van minne.
Nu en dan heeft de ziel ook een andere manier van minne. Dan
dient zij de Heer om niet, alleen uit minne, zonder enig waarom
en zonder enig loon van genade of van heerlijkheid.
En precies zoals een jonkvrouw die haar Heer dient uit grote
minne en zonder loon, en die er behagen in schept dat zij Hem
dienen mag, en dat Hij het toestaat dat zij Hem dient, zo begeert
zij de minne te dienen met minne, zonder maat en boven mate en
boven alle menselijk begrip en rede uitstijgend, met alle
dienstbaarheid eigen aan de trouw.
Als zij hier in is, dan is zij zo brandend in haar begeerte, zo
bereid tot dienst, zo licht in het zwoegen, zo zacht in de tegenslag,
zo blij in de droefenis ; en met alles wat zij is, verlangt zij Hem
genoegen te doen.
En zo vindt zij er haar vreugde in om iets te kunnen doen, en
van nut te zijn ten dienste van de minne en tot eer van Hem.
De derde manier van minne.
Soms heeft de goede ziel een andere manier van minne waaraan
veel pijn en ellende verbonden zijn. Het komt hierop neer dat zij
begeert de minne ten volle te beantwoorden, en haar te volgen in
alle hulde en in alle dienst, gehoorzaamheid en onderdanigheid.
Deze begeerte wordt bijwijlen heftig in de ziel teweeg gebracht,
en dan heeft zij het vaste voornemen met sterke begeerte letterlijk
alle werk te doen en met het lijden op weg te gaan, alles toe te
laten en te verdragen, en al haar werk zonder zich te ontzien en
zonder maat voort te zetten in de minne. In die zin is zij helemaal
bereid tot elke dienst, en bereidwillig en onbevreesd te zwoegen
en pijn te lijden ; toch blijft zij onvoldaan in alles wat ze doet.
Maar bovenal is het voor haar de zwaarste pijn, dat zij in verhouding
tot haar grote begeerte niet genoeg kan doen voor de minne, en dat
haar in de minne zoveel onthouden wordt.
Zij weet wel dat dit bovenmenselijk werk is en dat het boven
al haar macht gaat om dit te doen, want wat zij begeert -hetgeen
onmogelijk en onwezenlijk is voor elk schepsel- is dat zij alleen
zoveel zou willen doen als alle mensen van het aardrijk samen,
en als alle geesten van het rijk van de hemelen en als al de
schepsels boven en beneden en ontelbaar veel meer, om de minne
te dienen, lief te hebben, en te eren volgens haar waardigheid.
En hoeveel zij ook in haar werk tekortschiet, toch wil zij dat
verwezenlijken met heel haar inzet en met sterke begeerte. Maar
dat alles kan haar niet voldoen.
Zij weet wel, dat deze begeerte slechts te vervullen is ver
boven haar macht en boven de menselijke rede en boven alle begrip
; toch kan zij deze begeerte niet matigen, of bedwingen of tot
bedaren brengen.
Zij doet al wat ze kan : zij dankt en looft de minne, zij
werkt en zwoegt om de minne, zij begeert verzuchtend de minne,
zij levert zichzelf helemaal over aan de minne. En dat alles
geeft haar geen rust.
Het is voor haar een zware pijn dat zij datgene moet begeren
wat zij niet verwerven kan en daarom moet zij in de ellende van
haar hart blijven en verblijven in haar onvoldaanheid.
Zo is het voor haar alsof zij al levend sterft, en stervend
de zware pijn van de hel gevoelt, en heel haar leven is hels en
ongenadig en misnoegdheid vanwege de verschrikking van de
angstwekkende begeerte die zij niet kan bevredigen of tot zwijgen
brengen of bedaren.
In zware pijn moet zij blijven, tot op het ogenblik dat onze
Heer haar troost en plaatst in een andere manier van minne en van
begeerte, in nog grotere kennis van Hem. Dan moet zij werken
volgens wat haar wordt gegeven door onze Heer.
De vierde manier van minne.
Onze Heer is gewoon ons nog een andere manier van minne te
geven, nu eens in grote verrukking, dan weer in grote pijnen, en
daarover willen wij nu spreken.
Het gebeurt dat de minne zoetjes in de ziel gewekt wordt en
blij opstaat, en dat ze zich beweegt in het hart, zonder enig
toedoen van menselijke inspanning.
En zo wordt dan dat hart teder geraakt door minne, en zo vol
hevig verlangen tot binnen in de minne getrokken, en zo
hartelijk bevangen door minne, en zo sterk overheerst door minne,
en zo lieflijk behelst door de minne, dat zij helemaal overwonnen
wordt door de minne.
Hierin ervaart zij een sterke verbondenheid met God, een
geestelijke klaarheid, een wonderlijke zaligheid, een nobele
vrijheid, een verrukkelijke zoetheid, een grote overmacht van
sterke minne, en een overvloedige volheid van grote vreugde. Dan
ervaart zij dat al haar zinnen één zijn in de greep van de minne
en haar wil minne geworden is, en dat zij toch zo diep verzonken
en verzwolgen is in de afgrond van de minne, en zelf geheel minne
geworden is.
De schoonheid van de minne heeft haar opgegeten. De kracht
van de minne heeft haar verteerd. De zoetheid van de minne heeft
haar in het niet doen verzinken. De grootheid van de minne heeft haar
verzwolgen.
De adel van de minne heeft haar omhelsd. De puurheid van de
minne heeft haar de hoogste ontplooiing laten bereiken. De
verhevenheid van de minne heeft haar naar boven getrokken en
ééngemaakt op zo'n manier, dat zij helemaal van minne wezen moet,
en niet anders meer leven kan dan met de minne.
Als zij op die manier zichzelf ervaart in die overvloed van
zaligheid, en in die volkomen en grote volheid van hart, dan
verzinkt haar geest helemaal in de minne en ontgaat haar lichaam
haar, en smelt haar hart weg en wordt al haar kracht onbruikbaar.
Zozeer wordt zij overwonnen door de minne dat zij nauwelijks
zichzelf beheersen kan, en zij dikwijls geen macht meer heeft
over al haar leden en zinnen.
En evenals een boordevol vat onmiddellijk overvloeit en
overstroomt wanneer men erin roert, zo wordt zij plotseling hevig
beroerd en helemaal overwonnen door de grote volheid van haar
hart en wel zo dat zij dikwijls in weerwil van zichzelf uitbreken
moet.
Terzelfder tijd geschiedt het ook, als vijfde manier van
minne, dat de minne krachtig in de ziel opgewekt wordt, en
overweldigend opstaat met grote ontstuimigheid en met grote
hartstocht, alsof ze met geweld het hart van de ziel breken wou,
en de ziel trekken wou uit en boven zichzelf in de loutering van
en het falen in de minne.
Krachtig wordt zij ook bewogen om de grote opgaven van het
minnewerk tot stand te brengen of de verschillende opdrachten van
de minne uit te voeren.
Ofwel begeert zij te rusten in de zoete omhelzingen van minne,
in de begeerlijke zaligheid en in de voldaanheid van wat zij van
Hem heeft. Haar hart en haar zintuigen zoeken er ernstig naar en
streven er vurig naar. In deze gesteldheid, is zij zo krachtig
van geest, zeer ondernemend van hart en sterk van lichaam, zo
vlug in het werken en druk doende van buiten en van binnen, dat
het haar toeschijnt alsof alles wat met haar te maken heeft werkt
en bezig is, al is zij nog zo rustig van buiten.
Daarbij voelt zij een sterk verdriet van binnen en een grote
gespannen verwachting omtrent de minne en veel wissel-
valligheden in de begeerte, en veelsoortig leed van diep
ongenoegen. Of zij ervaart zielewee door het grote gevoel van de
minne zelf, zonder enig waarom, of daarom omdat zij bijzonder
veeleisend is ten aanzien van het verlangen naar minne, of omdat
zij misnoegd is over het wegblijven van de minne.
Bij dit alles wordt de minne zo onmatig en breekt ze zodanig
uit in de ziel, zoals ze daar zo sterk en zo verwoed in het hart
brandt, dat het haar toeschijnt dat haar hart herhaaldelijk
pijnlijk verwond wordt, en dat de wonden dagelijks vernieuwd en
pijnlijker gemaakt worden door nog smartelijker wee en nieuwe
gevoelspijnen. Het lijkt haar alsof haar aderen openbreken, en
haar bloed verhit wordt, en haar merg uitteert, en haar benen
verzwakken en haar borst verzengt, en haar keel uitdroogt zodat
haar gezicht en al haar ledematen deelhebben aan de hitte
daarbinnen, aan die 'orewoet' van de minne. Dan voelt zij ook een
pijl door haar hart gaan tot de keel, en verder tot de hersenen,
alsof zij haar zinnen kwijtraken zou.
En zoals een verslindend vuur dat alles tot zich trekt en
verteert wat het vernietigen kan, zo voelt zij dat de minne
blakend in haar woedt, zonder haar te sparen en zonder maat, en
dat ze alles tot zich neemt en verteert. Hierdoor wordt zij zwaar
gekwetst en haar hart zeer verzwakt en al haar kracht te niet
gedaan.
Maar eigenlijk wordt haar ziel gesterkt, en wordt haar minne
gekoesterd en haar geest in spanning gehouden. Want zozeer is de
minne boven de bevattelijkheid verheven, dat de ziel de eenheid
met haar niet op eigen kracht verkrijgen kan.
Soms wil zij met alle zielewee de band breken en uit de
minne-eenheid losscheuren. Maar het minne-verbond heeft haar zo
in zijn greep en door de overmaat van minne is zij zo volkomen
overwonnen dat zij geen redelijke maat meer houden kan of op een
verstandelijke wijze rekenschap geven kan, of zich met maat
intomen kan, of verstandig zichzelf blijven kan.
Hoe meer haar wordt gegeven van boven des te meer zij vraagt,
en hoe meer haar meegedeeld wordt, des te meer het verlangen
groeit om in begeerte nader te komen tot het licht van de
waarheid en van de zuiverheid, van de adel en van het genot van
minne. Altijd weer opnieuw wordt zij getrokken en meer en meer
geprikkeld en niets voldoet of verzadigt haar. Wat haar het meest
heelt en haar wonden geneest, dat alleen geeft haar gezondheid.
De zesde minne :
Wanneer de bruid van onze Heer gevorderd en opgeklommen is
naar groter heil, ervaart zij nog een andere manier van minne,
inniger verbonden en met hogere kennis.
Zij voelt dat de minne alle weerstand in haar overwonnen
heeft, en dat zij alle tekorten hersteld en haar zinnen in haar
macht gebracht heeft. Zonder tegenstand is zij zichzelf volkomen
meester geworden, zodat zij haar hart veilig weet en het in rust
gebruiken mag en zich in vrijheid beijveren mag.
In deze toestand schijnen alle dingen haar gering, gemakkelijk
te doen en te laten, licht te dulden en te verdragen, zoals dat
tot de waardigheid van de minne behoort.
Dan is het haar aangenaam zich te oefenen in de minne. Dan ook
ervaart zij een Goddelijke macht en een klare zuiverheid en een
geestelijke zoetheid en een begeerlijke vrijheid en een
onderscheidende wijsheid en een rustige toegankelijkheid van God.
En dan is zij gelijk een huisvrouw die haar huis goed verzorgd
heeft. Die het op een verstandige wijze ingericht en mooi op orde
gesteld heeft. Die het wijs beschermt, het verstandig behoedt,
en die volgens plan werkt. Zij brengt binnen en buiten. Zij doet
en laat al naar haar wil.
Zo is het ook gesteld met deze ziel : de minne heerst geweldig
in haar, werkt machtig en rust in haar, doet en laat, innerlijk
en uiterlijk ; en dat alles naar haar wil. Net zoals een vis
zwemt in de wijdheid van de zee, en uitrust in de diepte, of een
vogel die vliegt in de ruimte en hoogte van de lucht, zo voelt
zij haar geest ongebonden omgaan in de diepte, ruimte en hoogte
van de minne.
Deze overmacht van minne heeft de ziel aangetrokken en
begeleid, behoed en beschermd. Ze heeft haar het verstand en de
wijsheid gegeven, de zoetheid en de sterkte van de minne. Toch
heeft ze haar geweld voor de ziel verborgen gehouden totdat zij
tot een grotere hoogheid opgeklommen is en helemaal vrij is
geworden van zichzelf, en de minne met meer kracht in haar
heerst.
Dan maakt de minne haar zo sterk en zo vrij dat zij geen mens
of duivel, geen engel of heilige, God zélf niet ontziet in al haar doen
en laten, in haar werk of haar rust.
Zij weet heel goed dat de minne in haar is, geheel wakker en
even sterk werkend in de rust van het lichaam als in het vele
werken. Zij weet heel goed en wordt gewaar dat de minne niet
gelegen is in het zwoegen en zweten van hen waarin ze soeverein
heerst.
Maar allen die tot de minne willen komen, moeten haar zoeken
met ontzag, moeten haar trouw volgen en haar met hevig verlangen
beoefenen. Ze slagen daar niet in als ze zich veel gezwoeg en
inspanning en het ondergaan van ongemakken besparen. En alle
kleine dingen moeten ze groot achten tot op het ogenblik dat ze
ertoe komen dat de minne binnen hen heersen gaat, waardoor de
minne met overmacht soeverein wordt en alle dingen gering maakt
en alle gezwoeg verzacht, en alle inspanning zoet maakt, en alle
schulden betaalt.
Dit is vrijheid van geweten en zoetheid van hart, en reinheid
van zeden en gemoed, en adel van de ziel, en verhevenheid van de
geest en beginsel van het eeuwige leven.
De ziel leeft reeds op aarde als een engel, en daarop volgt
het eeuwige leven, dat God ons allen in zijn goedheid moge geven
(...)
(eindigde haar tekst in 1236 hier ?)
De zevende manier van minne :
De gelukzalige ziel heeft nog een subliemere manier van minne
die haar niet weinig te doen geeft van binnen. Zij wordt getrokken
boven de mensenmaat van de minne, boven de zinnen en de rede,
hoger dan alles waartoe ons hart uit zichzelf in staat is.
Uitsluitend met de minne van de eeuwigheid zelf wordt zij
getrokken in de eeuwigheid van de minne, in de onvatbare wijsheid
en de stille hoogheid, in de diepe afgrond van de Godheid die
alles is in al wat bestaat, onvatbaar verheven boven alles,
onvergankelijk, almachtig, alomvattend, en die alheersend handelt
in al wat bestaat.
Zo innig is zij hier in de minne verzonken en zo sterk wordt
zij door haar begeerte getrokken, dat haar hart heftig bewogen
wordt en ongedurig is van binnen, zodat haar ziel uitvloeit en
smelt van de minne, en haar geest vurig verhangen is aan een
sterk verlangen.
Al haar zinnen leggen er zich op toe, dat zij mag leven in het
genot van de minne. Volhardend verlangt zij dit van God en met
heel haar hart verzoekt zij God hierom.
Dit moet zij zeer begeren, want de minne laat haar niet tot
rust of op verhaal komen. Geen rustig leven. De minne verheft
haar en drukt haar neer, stelt haar plotseling op de proef en
kwelt haar weer. Ze brengt de dood en geeft het leven, ze maakt
gezond en verwondt opnieuw. Ze maakt krankzinnig en dan weer
wijs.
Zo verheft ze haar tot een hoger zijn. Zo is zij geestelijk
opgeklommen, boven de tijdelijkheid en naar de eeuwigheid van de
minne, die zonder tijd is. Boven de menselijke vormen van minne
en boven haar eigen natuur is zij verheven door het verlangen
daar boven te leven.
Dààr is haar wezen en wil, haar begeerte en minne van de
zekere waarheid, de zuivere klaarheid, de edele hoogheid, de
weelderige schoonheid en het zoete gezelschap van de hoogste
geesten die allen vervuld zijn van overvloedige minne, en die in
klare erkenning in het bezit en het genot van hun minne zijn.
Dan begeert zij daar onder de geesten te verblijven en het
meest onder de laaiende serafijnen. In de verheven Godheid en
Drievuldigheid vindt zij haar liefelijke rustplaats en haar vreugdige
woning.
Zij zoekt Hem tot in zijn majesteit, zij volgt Hem tot daar
en aanschouwt Hem met haar hart en met haar geest. Zij kent Hem
en bemint Hem en begeert Hem zo zeer, dat zij geen heiligen, geen
mensen, geen engelen of schepselen achten kan, tenzij met
dezelfde minne waarmee zij alles door Hem bemint. Hem alleen
heeft zij in minne verkozen, boven en onder en in al het andere.
Met alles wat haar hart aan begeerte opbrengen kan, en met
heel de kracht van haar geest, verlangt zij ernaar Hem te zien
en te bezitten en te genieten.
Daarom is het aardrijk haar een grote ellende, en een harde
gevangenis en een zwaar leed. Zij minacht de wereld, de aarde
valt haar zwaar en wat het aardrijk toebehoort kan haar niet
bevredigen of voldoen. Het is haar een grote pijn dat zij zo ver
moet wezen en wel een vreemdeling lijkt.
Haar ellende kan zij niet vergeten, haar begeerte kan niet
gestild worden, haar verlangen kwelt haar jammerlijk, en hierdoor
wordt zij bovenmatig en zonder genade gekweld en gepijnigd.
Daarom leeft zij in een groot verlangen en in een sterke begeerte
om uit deze ellende bevrijd te worden en van dit lichaam
ontbonden te zijn. Dan zegt zij met een droevig hart, zoals de
apostelen, : "Cupio dissolvi et esse cum Christo". D.w.z. "Ik
verlang ontbonden te worden en verenigd te zijn met Christus."
Niet uit verdriet om het heden of uit vrees voor toekomstig
leed maar alleen uit heilige en eeuwige minne begeert zij gretig,
smachtend en vol verlangen te gaan naar het landschap van de
eeuwigheid, in de glorie van het genot.
Dit verlangen is in haar groot en sterk, en haar ondraaglijke
toestand is zwaar en hard, en de pijn die zij uit begeerte lijdt
is onnoemelijk groot.
Toch moet zij in hoop leven, en het is net deze die haar doet
reikhalzen en wegkwijnen.
O heilige begeerte van de minne, hoe sterk is uw kracht in de
minnende ziel ! Het is een zalige passie, een scherpe foltering,
een langdurige smart, een verraderlijke dood, een stervend leven !
Daarboven kan zij nog niet komen en hier beneden heeft zij
rust noch duur. De gedachte aan Hem kan zij van verlangen niet
meer dragen, en Hem ontberen is door haar begeerte een foltering.
Aldus moet zij leven met groot ongemak.
Daarom kan en wil zij niet getroost worden, zoals de profeet
zegt : "Renuit consolare animam meam." d.w.z. "Mijn ziel wil niet
getroost worden".
Zodoende wijst zij elke troost door God zelf of zijn schepselen
af. Want het genot dat dit haar kan geven verleent de minne
nieuwe kracht. Het stuwt haar begeerte naar nieuwe hoogten
en vernieuwt haar verlangen om zich aan de minne te wijden, van
de minne te genieten en haar ballingschap zonder enig genot te
dragen.
Zo blijft zij onverzadigd en onbevredigd, ondanks alle giften,
omdat zij de aanwezigheid van haar minne nog missen moet.
Dit is een heel zwaar leven, want zij wil niet getroost worden
als zij niet verkregen heeft wat zij zo rusteloos zoekt.
De minne heeft haar voortgetrokken en geleid en geleerd haar
weg te gaan. Deze heeft zij trouw gevolgd, dikwijls met veel
moeite en inspanning, in grote geestelijke machteloosheid, met
sterke begeerte, met veel ongeduld, in grote onrust, in wel en
wee, met menig leed, in zoeken en vragen, in gemis en bezit, in
groeiende en dalende zekerheid, in navolging en verlangen, in
zorgen en angst, in wegkwijnen en bederven. Met veel trouw en
ontrouw is zij in lief en leed tot alles bereid. Dood of levend
wil zij de minne toebehoren. En in het innigste van haar hart
lijdt zij.
Omwille van de minne wil zij het rijk van de hemelen verdienen.
Als zij hier in alle ellende op de proef gesteld wordt, dan is in die
glorie daar al haar toevlucht. Want precies daarin is het werk van
de minne gelegen, dat ze het nabije wezen begeert, en het meest
dat nabijzijn nastreeft waarin ze het meeste minnen kan. Daarom
wil zij steeds de minne volgen, minne ervaren en van minne genieten,
en dit kan haar hier in deze ellende niet te beurt vallen ...
Naar haar eigen land toe, waar zij haar woning heeft
gegrondvest, en waarin zij met minne en met begeerte rust ! Alle
belemmeringen weggenomen, wordt zij liefelijk door liefde
ontvangen. Dààr zal zij eindelijk aanschouwen wat zij zo teder
bemind heeft, en zij zal Diegene die zij zo trouw gediend heeft
bezitten voor de eeuwigheid. Zij zal met vreugde van Diegene
genieten die zij zo vaak in haar ziel met minne heeft omhelsd.
Dààr zal zij blij van hart binnentreden, zoals St. Augustinus
het zegt : "Qui in Te intrat in gaudium Domini sui ...", d.w.z.
"O Heer, wie binnentreedt in U, hij gaat binnen in de vreugde van
zijn Heer.". Daar is geen plaats voor angst. Want daar zal hij
Hem bezitten op de beste manier in het allerbeste.
Dààr is de ziel bij haar Bruidegom en wordt zij geheel één
geest met Hem in onscheidbare trouw en in wederkerige liefde
voor altijd. De ziel die alles voor Hem over had ten tijde van
de genade zal van Hem genieten in de eeuwige glorie, waar men
niets anders zal doen dan loven en minnen. Moge God ons allen
daar toe brengen. Zo is het.
initiated : 1993 - last update : 18 II 2006 - version n°1