home page of sofiatopia.org search the entire website of sofiatopia.org all books and articles of the EQUIAEON-system* siteplan of the website of sofiatopia.org home page of alephnil.org sitemenu of the website of sofiatopia.org

Chaos

©  Wim van den Dungen
Antwerp, 1996 - 2008.


Chaos

door Wim van den Dungen
Antwerpen en Moskou.

"Donner à la philosophie la transgression pour fondement (c'est la démarche de ma pensée), c'est substituer au langage une contemplation silencieuse. C'est la contemplation de l'être au sommet de l'être. Le langage n'a nullement disparu. Le sommet serait-il accessible si le discours n'en avait révélé les accès ? Mais le langage qui les décrivit n'a plus de sens à l'instant décisif, quand la transgression ellemême en son mouvement se substitue à l'exposé discursif de la transgression, mais un moment suprême s'ajoute à ces apparitions successives : dans ce moment de profond silence dans ce moment de mort se révèle l'unité de l'être, dans l'intensité des expériences où sa vérité se détache de la vie et de ses objets."

Bataille, G. : L'Érotisme, Les Éditions de Minuit Paris, 1957, Conclusion, p.305.


Inhoudsopgave

Woord Vooraf

1. Chaos : mythe, pre en protorationaliteit.

1.1. Chaos in de Memphistheologie.
1.2. Chaos bij Hesiodos & Plato.
1.3. Chaos in het Oude Testament, Bahir & Zohar.
1.4. Korte schets van het christelijk chaosbegrip.
1.5. Samenvatting van het voorgaande.

2. Het paradigma van Newton versus ...

2.1. Bij wijze van situering : twee duistere wolken.
2.2. Op zoek naar een nieuw materieconcept.
2.3. De golfdeeltjeparadox.

2.3.1. De interpretatie van de Broglie.
2.3.2. De interpretatie van Born.
2.3.3. 'Hidden variable'-interpretatie van Bohm.
2.3.4. De Kopenhaagse Interpretatie (K.I.).
2.3.5. De statistische interpretatie van Popper.

2.4. Het Einstein-Podolsky-Roseneffect.
2.5. Thermodynamica & de levenstheorie.

2.5.1. De duistere boodschap : het einde is doods.
2.5.2. Het neodarwinisme van Monod.
2.5.3. Leven is een dissipatief non-equilibrium.

3. Het rationeel chaosonderzoek en -denken.

3.1. Stationair, periodisch & lineair versus chaotisch.
3.2. Oneindige entropie & absolute chaos.
3.3. Fractale zelfgelijkvormigheid.
3.4. Systeemdenken & chaostheorie.

3.4.1. Het bewegingsseptet.
3.4.2. Van 'black box' naar de universele correlatie.
3.4.3. Systeemdenken & functionalisme.

3.5. Naar een chaostaal.

3.5.1. Chaos als werkwoord.
3.5.2. De vormen van chaos.
3.5.3. Het samenspel van orde & chaos.

3.6. Chaos als wetenschapsobject ?

3.6.1. Chaos in psychologie, economie ...
3.6.2. Chaos in metafysica & theologie.

3.7. Samenvatting.

Epiloog
Noten bij de tekst


Woord Vooraf

In Deel I (Kennis, 1995) van Kennis, Chaos & Metafysica werd aan de epistemologie (kenpraxis, kentheorie & transcendentale logica) en de kritische eisen voor een mogelijke metafysica gestalte gegeven. 
Een gematigd postmodernisme ?

Het funderingspostulaat werd verlaten.

Zo ook elke poging om de mogelijkheidsvoorwaarden van denken & kennen (door verstand & rede) te funderen in iets anders dan de grondeloze grond van het denken. De mogelijkheid van denken & kennen moet om dogma te vermijden in de gewone praktijk van denken & kennen voorondersteld worden én kan eruit gereconstrueerd worden. Zo'n verzameling van normatieve, kritische spelregels (Prolegomena, 1994) zijn niets meer dan een striktnominalistische, gedeontologiseerde en gereconstrueerde symbolisatie (door reflectie) van wat denken & kennen al altijd doen.

De 'essential tension' (Kuhn) eigen aan alle denken betreft altijd de dualiteit tussen objectiviteit (realiteit, feit, toets) & subjectiviteit (idealiteit, theorie, taal). Er is geen denken zonder deze fundamentele grondeloze dyade. Elke gedachte is er noodzakelijk uit opgebouwd.

De normatieve kentheorie is gegrond in de realiteit-zoals-ze-is noch in de intellectuele perceptie (intuïtie van een ideëel subject). Zo wordt ze niet door de ontologische illusie beetgenomen. Geworden tot een 'rein' instrument kan ze zichzelf groei in eenheid geven. Een dolk waarmee denkers de weerschijn van de waarheid opvangen ...

In Deel II (Chaos, 1996) komen aan bod : mythische & protorationele bepalingen van chaos, studie van de zin van niet-lineariteit in dynamische, turbulente systemen ingeleid door filosofische kanttekeningen bij het paradigma van Newton, de relativiteitstheorie, de kwantumtheorie, de thermodynamica & de genetische biologie.

Dit boek liet zich niet moeiteloos neerschrijven. Het feit dat ik wiskundige noch fysicus ben, zal daarbij zeker wel van tel zijn geweest. Toch is het hier de plaats om de lezer te waarschuwen. Chaos is enerzijds een moeilijk & gevaarlijk onderwerp, vooral voor diegenen die niet afdoende in staat zijn uit hun dagelijkse lineaire routines los te komen of menen dat hun lees, en levenservaring voldoende waarborgen bieden tegen wanorde. Turbulentie is overal aanwezig. De ernstige studie van onvoorspelbare dynamiek effent de weg voor de heelmakende vitale kracht die meestal tegen ongezonde gewoontes radicaal optreedt. Anderzijds geven de wetten van de chaostheorie wel dié richtingen aan die vermeden moeten worden. Gecombineerd met de theorie der dissipatieve systemen ontstaat een nieuw instrument om zonder besturing in zeer zware storm min of meer koers te blijven varen (macro). Toegepast op de mens via de cognitieve theorie (psychologie & ethiek) kan chaotisch gedrag sneller omgekeerd worden (micro). Vooral in tijden van culturele crisis is de chaostheorie (in feite een metaordetheorie) nuttig.

Wim van den Dungen,
Antwerpen, 6 december 1996.


1. Chaos : mythe, pre en protorationaliteit.

In 1987 gaf Gleick zijn populair boek Chaos de ondertitel 'de derde wetenschappelijke revolutie' en schreef : "Waar chaos begint, houdt de klassieke natuurwetenschap op. Zolang de wereld natuurkundigen heeft gehad die de natuurwetten onderzochten, heeft ze geleden aan een speciale onwetendheid over de wanorde in de atmosfeer, de turbulente zee, fluctuaties in wildpopulaties en oscillaties van het hart en de hersenen. De onregelmatige kant van de natuur, de discontinue en grillige kant, dat waren raadsels voor de natuurwetenschap of, erger nog, wanproducten."1

Om deze 'chaostheorie', elders ook "een revolutie vanuit de wiskunde"2 genoemd, zinvol te kunnen situeren, gaan we eerst enkele treffende mythische, pre en protorationele omgangsvormen met wanorde opdelven. Op deze wijze mag het duidelijker worden waarom de moderne denkers moeizaam in staat waren om discontinuïteit te denken.

Het sprongmatige ontsnapt aan een volledige determinering. Een sprong gebeurt in dezelfde orde (zoals de reeks van natuurlijke getallen uitmondt in de transfiniete kardinaalgetallen) of tussen verzamelingen, zodat er sprake is van een dimensieaangroei, d.w.z. een toename van het beschikbaar aantal invalshoeken op eenzelfde gebeurtenis. Het mathematisme van de moderniteit beperkte zich tot de oplosbare, lineaire termen van haar vergelijkingen en leverde dus slechts schijnbaar een bewijs voor een absoluut, volledig, objectivistisch & realistisch determinisme dat niet houdbaar bleek (cfr. hoofdstuk 2).

We beginnen deze ideoarcheologische schetsen van chaos in Afrika, meer dan 5 millenia geleden.

1.1. Chaos in de Memphis-theologie.

§ 145

In het Egypte van het Oude Koninkrijk circuleerden drie kosmogonieën. De eerste kwam in Heliopolis tot stand, de tweede te Memphis en de derde in Hermopolis. Latere versies grijpen steeds min of meer consequent naar deze mythische oerschemata terug.

Heliopolis, On, de 'stad van de Zon' was reeds een grote en belangrijke stad lang vóór de Iste dynastie (ca.3150 ca.2925)3. In Heliopolis (vandaag een kwartier van Kaïro) eindigden toen reeds heel wat karavaanroutes. Het was een zeer belangrijk handelscentrum voor gans Neder-(delta)Egypte (noorden). Voorwerp van de tempelcultus was de 'Benben', de verstening van de straal der Zon, als Râ vereerd in de vorm van een obelisk of gedenknaald die op een plateau werd geplaatst.

Deze kosmogonie komt eerst "parce qu'historiquement la plus ancienne, mais aussi parce que les théologiens ne cesseront d'y revenir au fil des siècles."4 Ze wordt nà de Vde dynastie belangrijker dan de Memphistheologie en vormt de blauwdruk voor de tempeldienst in Thebe.

§ 146

De opvatting dat Egypte vóór de Iste dynastie uit twee Koninkrijken bestond (Opper- zuid en Neder- noord) en dat de unificatie van Egypte door een opmars uit het zuiden werd voorafgegaan door een mislukte unificatie van het noorden (ca.3.600) worden heden door egyptologen betwist.

Op het Pallet van Narmer (eerste dynastieën, bewaard te Kaïro) zien we Narmer die een geknielde man uit het noorden onderwerpt.

Frankfort5 argumenteert dat de idee van een noordelijk rijk geschapen werd "as a symbolic counterpart to the southern one after the piecemeal conquest of a series of small states by kings from Upper Egypt."6

There must have been prehistoric chieftains of the type of the African rainmakerking. But Egyptian tradition, in attaching the decisive change to the name of Menes, proclaimed that the rise of the First Dynasty marked a turningpoint in the nation's existence ; all we know confirms the correctness of that point of view. For this reason we retain the name of Menes for the founder of the united monarchy, even though some of his acts may have been performed by Scorpion, some by Narmer, and some by Aha. In this sense it can be said that kingship, in the peculiar concept which remained a living force throughout the country's history (or at least until the end of the second millenium B.C.), did not exist before Menes, for its premises are Menes' own achievements."
(Frankfort, H. : Kingship and the Gods, Chicago University Press Chicago, 1978, p.18, mijn cursief)

De overwinning waarover Narmers pallet verhaalt :

"would thus be related to a reconquest of a northern region, or the crushing of a rebellion there, rather than to the original annexation of that area."7 De eenheid bestond reeds en wordt door Narmers overwinning bevestigd.

Ook latere onderzoekers van de prehistorie besluiten :

"Dans cette perspective, la Palette de Narmer, reflète un processus déjà bien élaboré et apparaît comme un monument de l'unité que de l'unification ; (...) elle est le premier témoignage connu de l'expression violente par laquelle s'exprime un phénomène achevé longtemps auparavant : celui de l'assimilation des cultures du Nord par le Nagadien." De herderstaf (noord) en de zweep (zuid) worden verenigd.8

Niettegenstaande we op de Steen van Palermo annalen uit het Oude Koninkrijk een reeks premenitische koningen aantreffen die de Rode Kroon van Neder-Egypte dragen, is het zo dat "this crown belonged originally, not to Lower Egypt as a whole, but to several Delta states, one with its capital in PeButo and another centered around Sais."9

§ 147

Over de naam van de stichter van de Iste dynastie bestaat ook onzekerheid. Onderzoekers vermelden Scorpio, Menes, Narmer en Aha. Waarschijnlijk geldt Menes = Narmer.10 Ook is het mogelijk dat Menes = Aha.11 Scorpio was vermoedelijk een predynastische koning die het noorden onderwierp.12

Zowel Menes13 (31503125) als Aha14 (31253100) staan bekend als de stichters van Memphis, die als nieuwe hoofdstad voor het verenigd Egypte moest dienen. Deze stad (eerst een burcht, die 'De Witte Muren' werd genoemd) werd ten westen van de Nijl in de apex van het deltagebied opgetrokken. Het was de opvolger van Aha, Djer (3100-3055), die de tempel te Memphis stichtte.

Toen reeds hadmen het verband waargenomen tussen "le lever héliaque de Sirius et le commencement de l'année."15 Ook de plek waar Memphis gebouwd werd, is niet toevallig. Immers, het begin van het stijgen de het waterspiegel van de Nijl (gekozen als begin van het jaar) en de heliakische opkomst van Sirius zijn op de breedtegraad van Memphis direct waarneembaar.

"Thus, for over three thousand years, the coronation of Pharaoh took place at Memphis and culminated in a double ceremony which in all likelihood goes back to the days when Menes had completed his new capital, since it is called 'Union of the Two Lands ; Circuit of the White Walls'."16

§ 148

Het is wonderlijk dat de zogenaamde 'Memphistheologie' de tijd overleefde. De inspanning van Chabaka, een Farao uit de XXVste dynastie (ca.747656) die een oude papyrus ('opgevreten door de wormen') in zwarte basalt liet houwen17, droeg daar grotendeels toe bij.

Volgens Sethe18 en Frankfort19 stamt de tekst uit de Iste dynastie ! Volgens Junker20 is dit te vroeg. De Vde dynastie (25102460) zou op basis van 'interne bewijzen' beter kloppen. Holmberg21 verwerpt de argumentatie van Junker en bevestigt Sethe.

Niettegenstaande Junge22 en Hornung23 een dergelijke vroegedateringargumentatie eerder op geldige filologische gronden uitsluiten, zijn de Franse egyptologen bereid om ervan uit te gaan dat de Memphistheologie in de eerste dynastieën neergeschreven werd.24

M.i beschikken we met deze Memphistheologie over een genuanceerd mythisch & prerationeel antwoord op de problematiek van orde versus wanorde. Een antwoord ontstaan tussen ca. 31502460.

"There is little direct evidence concerning the intellectual achievements of the Early Dynastic Period. Records were evidently kept of the sort which could later be used to compile the text of the Palermo Stone. Two treatises are also claimed, on the basis of internal evidence, to date from this period. One, the so-called Memphite theology, ascribes the creation of the world by Ptah, the patron deity of Memphis. The other is a surprisingly empirical work dealing with medical procedures."
(Trigger, B.G. et all : Ancient Egypt : A Social History, Cambridge University Press Cambridge, 1994, p.66)

De kosmogonie van Hermopolis tenslotte (de stad van Hermes) wedijverde met die van Heliopolos. Zij sloot wel aan bij de Memphistheologie. Centrale overeenkomst was een ongeschapen, vóórtijdelijke, chaotische zone die de schepping voorafgaat.

Omdat ik enerzijds in Deel III deze Memphistheologie uitvoerig als een voorbeeld van uitgewerkt panenergetisme ten tonele zal roepen en Memphis anderzijds als kroningsstad in de zeer lange Egyptische geschiedenis bij naam een blijvende 'sacrale' rol gespeeld heeft, onderzoeken we het chaosbegip in de kosmogonie van Memphis en de bijzondere rol van Ptah. Die schept de wereld immers met een woord ...

§ 149

De negatieve goden, preëxisterend en ongeschapen, heten :

* Noun en Naounet, de primordiale wateren ;
* Kouk en Kaouhet, de duisternissen ;
* Hou en Haouet, oneindige ruimte, onbepaald ;

"enfin, selon les différentes doctrines, le quatrième couple peut être constitué soit de Niaou et Niaout, la négation, soit de Gereh en Gerhet, le manque, l'absence, soit encore d'Amon et d'Amaounet, ce qui est caché."25

Het tweede hoofdstuk van Frankforts Kingship and the Gods (1948) is gewijd aan de eigenlijke tekst van de Memphistheologie.26

Hij schrijft : "This document, in its present state, suggests a division into six parts ; there may have been more, or sections which now seem separate may originally have been joined together. It is exceptionally difficult to judge in this matter, since the text is not formally subdivided."27

De tekst begint met acht uitspraken die de identiteit van Ptah met elk van de acht oergoden van de vóórschepping (ogdoade) bevestigen ; de oorsponkelijke, prelogische, wanordelijke, chaotische oerwateren. De polytheïstische diversiteit van het prezijn wordt in de Memphistheologie geduid als een aspect van de epifanie van Ptah, die de tijdloze, onveranderlijke chaos én de procesmatige, zichzelf steeds voortbewegende orde, verenigt.

De tweede identiteit luidt :

"Ptah = Noun, de vader die Atoum voortbracht."28

In de vijfde sectie vinden we een interessante theologische uiteenzetting waarin Ptah als unieke opperschepper verschijnt. Alle goden worden manifestaties van Ptah.

§ 150

Kenmerkend voor deze "monde de l'antécréation"29 in het Oude Rijk zoals blijkt uit de pyramideteksten30 (gehouwen in de muren van de piramiden vanaf eind Vde dynastie onder Ounas tot eind VIde dynastie) is "une simple nonexistence du monde immédiat."31 Alles wat bestaat rees op uit de oeroceaan, die ongeschapen is en vóórtijdelijk. De theologie van de ogdoade ontwikkelde zich doorheen de tijden (vooral dan om de rol van Amon te vergroten).

Reeds vanaf het ontstaan van hun schrift bezaten deze uitzonderlijke mensen een bijzondere negatieve verbale vorm (n sdmt.f), vertaalbaar door "wanneer ... nog niet was (bezat)".32 Daar de piramideteksten reeds een gediversifieerd polytheïsme tonen, is het waarschijnlijk dat de theologie van het vóórtijdelijke predynastische wortels heeft. Hierbij speelde een op natuurlijke ritmes gebaseerde sacrale geografie een belangrijke rol.

§ 151

Centrale sacrale grootheden daarin waren : de oerwateren, de oerheuvel en de Benben, de gepetrifieerde zonnestraal.

"The evidence of the fauna and of flint tools suggests that the inhabitants descended in early neolitic times from the surrounding desert plateaus. The change of climate which turned these wide pasture lands into deserts at the same time made the marshes of the Nile Valley fit for human habitation. We know that the physique of the inhabitants of this valley from the Delta deep down into Nubia remained much the same from predynastic to late historic times."33

De ervaring dus dat leven een op en neergaan van krachten & gebeurtenissen is, was Menes reeds bekend en werd bevestigd door de jaarlijkse overstroming van de Nijl en verscheidene andere astronomische synchronismen (o.a. de standen van Zon & Maan, het rijzen van sterren zoals Sothis en de precessie der equinoxen).34

Verder werd de overgang van leven en dood permanent op pregnante wijze door de woestijn aangegeven. Water speelde in de strijd met woestijndood een centrale rol. Water dat al bewegend tevens het land vruchtbaar maakte en waardoor verborgen land oprees. Water, dat de priester reinigde (cfr. het Osireion van Sethi I) ?35

Goden, mensen, dieren en planten worden geboren, leven, sterven en worden wedergeboren in een andere wereld (nachtboog) die net zoals de Zon 's nachts deeluitmaakt van al wat bestaat.

Leven en dood zijn zo permanent met elkaar verstrengeld en vloeien in elkaar over. Al wat bestaat leeft en sterft, d.w.z. herleeft op een andere wijze.

Dit 'andere leven' betekent een voortdurende vernieuwing & verjonging waaraan zelfs de goden niet ontsnappen. Enkel dan is er immers sprake van een rijker leven in het hiernamaals, samen met de goden, vooral Osiris.

Zonder de goden neigt het naar de chaos.

"La création ne devient possible que par le non-existant, de sorte que les dieux et le roi en sont particulièrement dépendants pour le renouveau perpétuel de leur oeuvre de création et pour échapper à la finalité sans vie. Selon la conception égyptienne, l'existant a besoin d'une régénération constante des profondeurs du non-existant ; alors seulement il est en mesure de se préserver en tant qu'existant vivant. Il risque toutefois d'être perdu s'il néglige l'aspect négatif, corrosif, mortel du non-existant."
(Hornung, E. : Les Dieux de l'Égypte, du Rocher Paris, 1986, p.165, mijn cursief)

Al wat bestaat werd op de primordiale heuvel gebouwd, TaTjenen, het 'Opgerezen Land'. Op dat Land schijnt de Zon en kan de tempel gebouwd worden. Ptah is dat Land. "The 'Risen Land' possesses, again, a multiple significance. It alludes to the universal Egyptian belief that creation started with the emergence of a mound, the Primeval Hill, above the waters of chaos. Ptah, the fruitful earth, is one with this hill the startingpoint of all that is, even of life itself. But the epithet alludes, at the same time, to the land which Menes had reclaimed from the marsh waters to build Memphis and the temple of Ptah ..."36

De oeroceaan omringt de oerheuvel. Noun wordt slechts zelden voorgesteld, is 'Abyssos', "Vader van alle goden"37 en zonder cultus. Toch werden er soms offers aan Noun gebracht. Te Memphis was Noun de vader van Atoum, de scheppende zonnegod die echter ook als een emanatie van Ptah wordt ingeschat. Atoum, het Al, de schepper van Alles, is de niet-bestaande die door zichzelf levend wordt en die zo zichzelf vervolledigt.

"Le dieu créateur (...) est l'originel, qui émerge du non-existant et marque le 'commencement' du processus de naissance en se différenciant en la pluralité de 'plusieurs millions' : la multiplicité de l'existant et des dieux."37

Het bijzondere aan de Memphistheologie is de wijze waarop Ptah deze vóórtijdelijke & tijdelijke goden schiep :

"Er onstond in het hart en op de tong van Ptah iets naar het beeld van Atoum. Groot & verheven is Ptah die door zijn hart en op zijn tong zijn kracht aan alle goden en hun ka's schonk (...) Elk goddelijk woord ontstond door wat door het hart gedacht werd en door de tong bevolen werd. (...) En zo worden gedaan alle werk en alle kunsten, de actie van de armen, het voortschrijden van de benen, de beweging van alle ledematen volgens dat bevel dat door het hart gedacht werd en door de tong voortgebracht werd, en dat de betekenis van alle dingen onderbouwt."38

De goddelijke woorden die Ptah uitspreekt zijn een goddelijke ordening waarin alles zijn plaats heeft. Ptah schept door gedachten uit te spreken.

"For such 'creative speach' turn each divine word into the causa materialis, causa formalis and causa movens of an element of creation all in one."39

In het vóórtijdelijke was er geen ruimte en waren de primordiale elementen ongedifferentieerd verenigd. Er bestond geen vrije ruimte waarin de scheppende zonnegod zichzelf zou kunnen plaatsen en waaruit de schepping zou kunnen oprijzen. Niets of niemand kondigde zichzelf aan met zijn eigen naam. Atoum is de schepper die door zijn eigen zaad in zijn eigen mond te nemen alles schept. Hij is de vader van al wat leeft en epifanie van Ptah.

Omdat doorgaans de unieke scheppende zonnegod zichzelf quasi onmiddellijk uitstort (Atoum is de 'vader' van een 'enneade' van goden), m.a.w. uit de oeroceaan oprijst om zich onmiddellijk te differentiëren, is er geen sprake van een stabiel ankerpunt voor een monotheïsme. Het éne rijst op uit de oerpoel (ontrukt zich aan het niet-bestaan) maar blijft (als bestaande oergodheid) niet alleen.

De creatieve drift is dermate potent dat Atoum, de Grote Ene, hart en tong van een enneade wordt. Het vóórtijdelijke was ogdoadisch. Het tijdelijke wordt enneadisch. Atoum bevindt zich op het alternatiepunt tussen het ongeschapene, chaotische, en het geschapene, ordelijke (Maât).

"Atoum, le premier dieu créateur connu, semble également porter un nom définissant mais celuici est d'une interprétation plus complexe. Le verbe tm, dont le nom est un formation participale, signifie tout à la fois 'ne pas être' et 'être complet'."
Hornung, E. : Op.cit., p.56.

Anthes vertaalt 'Atoum' als 'hij die integraal is'. Bonnet heeft het over 'hij die nog niet volledig is'. Kees opteert voor 'hij die nog niet tegenwoordig is', terwijl Hornung kiest voor 'hij die zich differentieert'.40 Ontgaat het deze geleerden dat Atoum in zich het niet-zijn én het volledige zijn verenigt : 'hij die niet is én volledig is' ? Het uitzonderlijke aan de Memphistheologie is dat hier zowel de vóórtijdelijke, ogdoadische chaos, als de unieke scheppende zonnegod (Atoum), als de enneadische geschapen orde aanzien worden als epifanieën van Ptah, waarlijk één.

§ 152

De relatie tussen het chaotisch vóórtijdelijke en de plaats van Râ nà zonsondergang is expliciet, alsook de binding tussen de god van de verwarring, Seth, en de ongedierten (o.a. de slang Apophis) die het in deze onderwereld Râ tevergeefs moeilijk pogen te maken (vooral dan wanneer deze bij zonsopgang uit de oeroceaan oprijst). Op deze wijze wordt de dodende oerchaos (niet-bestaan) niet van de levende orde (bestaan) gescheiden, maar erin afgebeeld.

"Want diep onder het gebied waar de god doorheen vaart en dat hij met zijn licht en zijn scheppend woord vervult, ligt als derde en diepste laag de 'plaats der vernietiging' (hetemit). Deze is onzichtbaar, geen lichtstraal dringt er door ; enkel haar 'armen' duiden erop dat zij vanuit de diepte inwerkt op de zichtbare onderwereld. (...) Oud Egyptische uitspraken over de wereld vóór de schepping klinken precies hetzelfde wanneer zij zeggen dat de schepper nog geen plaats had gevonden om op te staan. (...) 'Plaats der vernietiging', zo heet deze diepste regio, omdat zij vol is van destructieve krachten, die alles verdelgen en ontbinden wat binnen hun bereik komt. Dit vernietigingswerk wordt in de onderwereldboeken toegelicht in talloze scènes die de bestraffing van 'vijanden' weergeven, en dit bij voorkeur in de onderste registers, die ook het dichtst bij deze diepte gelegen zijn. Hier leeft men zich onbeperkt uit in destructieve fantasieën."
(Hornung, E. : Over de Oud-Egyptische Denkwereld, Peeters Leuven, 1995, p.116, mijn cursief)

Zowel Râ, de doden als de dromenden41 worden elke nacht opnieuw met de onderwereldse chaos geconfronteerd, en wel in die mate dat we kunnen stellen dat de regeneratie van goden & mensen hiermee samenhangt. Het leven en de chaos, weliswaar temporeel & spatieel gescheiden, blijven met elkaar in verband staan.

Net zoals Atoum oorspronkelijk de wereld schiep door de chaos 'te openen', zo worden goden & mensen herboren door de nachtelijke Nijl te bevaren (samen met Râ op diens bark). Anderen worden definitief aan het niet-zijn prijsgegeven door in de oerduisternis van vóór de schepping op te gaan. In spreuk 175 van het Dodenboek wordt deze "zeer diep, zeer duister, volkomen oneindig" genoemd. De andere wereld vertoont dus twee gezichten. Enerzijds het rijk der beloften, waar de ziel zich samen met Osiris aan de bron van de voortdurende regeneratie van al het zijnde laaft. Anderzijds een afgrond vol gruwelen, "dat kwade land, waar de sterren omgekanteld op hun gezichten vallen en niet meer vermogen op te staan" (Dodenboek, spreuk 99b).

Dat het chaotische ook overdag aanwezig is, blijkt uit de mythe van Seth, die deeluitmaakt van de Enneade van Heliopolis. De oerschepper Atoum brengt door zelfbevruchting de tweeling Shu (mannelijk) en Tefnut (vrouwelijk) voort. Die brengen op hun beurt Geb (mannelijk) en Nut (vrouwelijk) voort. Geb & Nut brengen Osiris & Isis voort. Het verwarrende is dat uit Geb & Nut ook Seth & Nephthys voortkomen.

"This disturbs the harmonious development of creation, wherein each pair of gods only produced one other pair. Thus the birthday of Seth is the beginning of confusion. (...) The idea of Seth's disorderly entry into the world appears to be already evidenced in the Pyramid texts. It would seem that the word m í 'to be born' is deliberately avoided there with regard to Seth."42

Sartre schreef over Seth : "Il sent le maudit : dès sa naissance il est le malaimé, l'inopportun, le surnuméraire. Indésirable jusque dans son être, il n'est pas le fils de cette femme : il en est l'excrément ... par sa faute un désordre s'est introduit dans le bel ordre du monde, une fissure dans la plénitude de l'être."43 Te Velde brengt deze god ook in verband met castratie en homoseksualiteit.44 Niet zelden figureert Seth als de god van het moreel kwade.45

De mythe waarin Osiris door zijn broer Seth in 14 stukken wordt gehakt en door Isis met de hulp van Râ en Thoth opnieuw tot leven wordt gewekt (in het hiernamaals) leidt tot het befaamde gevecht tussen Horus (zoon van Osiris en Isis) en Seth. Horus en Seth vertegenwoordigen respectievelijk orde en chaos. Horus overwint maar verliest een oog, terwijl Seth zijn geslachtsorganen kwijtspeelt.

Het aantal analogieën is daarmee echter niet uitgeput, want we weten dat volgende geografische correpondenties opgaan :

Neder-Egypte (noord, delta) : Rode Kroon, Horus, Zwarte Land (vruchtbaar land), herdersstaf, kromstaf ORDE
Opper-Egypte (zuid, Nijlvallei) : Witte Kroon, Seth, Rode Land (woestijn), waaier (zweep) CHAOS

Zoals we later zullen aangeven, impliceert de overwinning van Horus niet dat Seth verdwijnt of later opnieuw de kans krijgt om tegen Horus te strijden. Hij blijft aanwezig. Het panenergetisme (cfr. Deel III) laat toe dat er een nieuwe godheid ontstaat, want Horus en Seth worden één als "hij met de twee gezichten" ...

"One might perhaps say that for the Egyptians this god, whom the Greeks named Antaios, gave form to the coincidentia oppositorum. An important point is the conclusion of Kees that Horus and Seth, who appear as two separate gods in mythology, are worshipped as one god in the local cult. Other scattered data also inform us that a temple was dedicated to Horus-Seth, and that there was a priest of Horus-Seth."46

Deze god wordt voorgesteld door twee hoofden, een valkenhoofd (rechts) én een Sethhoofd (links). Bij Painkoff lezen we hierover : "the two opposites, the forces of good and evil, Horus and Seth, are conciliated and now form one figure."47

Dit betekent dat de krachten van de chaos die ook overdag werken uiteindelijk door de ordening van het leven worden overwonnen zonder dat hun chaotisch karakter verdwijnt. Vóór elke zonsopgang bedreigde Seth de Zon.

De Oud-Egyptische gedachte voorziet een stabiliserende samensmelting of samengaan van antagonismen, waardoor de chaos van de dag (Seth) als een integraal deel van de verlichtende orde verschijnt (Horus-Seth). Deze samensmelting is niet louter een mythische tweeëenheid, maar verwijst eerder naar een prerationele 'Aufhebung' van dialectische momenten. Net zoals de twee landen door de levende Farao tot één geheel worden gebracht (waardoor hij goddelijk is), zo leidt de strijd tussen leven en dood tot een overwinning van het leven die de dood wel gebruikt.

We merken op dat de Oud-Egyptische opvatting over het hiernamaals o.m verbonden is met de geografische & klimatologische omstandigheden eigen aan het Nijlgebied. De regelmaat waarmee de Nijl vruchtbaar slib achterlaat alsook de imposante wijze waarop de Zon rijst & ondergaat, waren suggestief voor de wedergeboorte nà de dood. De dood werd zo een poort naar de andere wereld en was slechts overgang. De dood als einde van het leven werd vervangen door de dood als begin van nieuw leven. De causaliteit wordt omgedraaid. I.p.v. te leven en de dood als temporeel slot in te schatten werdt er geleefd om tijdloos mee te varen met Osiris op de hemelse Nijl.

Het stervensproces zelf, werd niet uitgebeeld. Stervenstaferelen die ons moeten herinneren aan de onafwendbaarheid van de dood en de mogelijke pijn van de laatste levensogenblikken ontbreken. De Oud-Egyptische kunsten verbeeldden enkel wat zich nà het stervensogenblik voltrekt. Het proces van de mummificatie beoogde niet het lichaam intact te bewaren. Integendeel, o.a. hersenen, lever & hart werden zorgvuldig uit mythische overwegingen uit het lichaam verwijderd (hoe rijker men was hoe zorgvuldiger dit gebeurde). Belangrijk was dat het gelaat herkenbaar was, vandaar het belang van het mooie dodenmasker. Ook de naam van de dode speelde een rol. Omringd door de juiste machtwoorden ('hekau') werden de dode zielen onmiddellijk nà het afsterven beschermd en gunstig in het hiernamaals ontvangen. Valse deuren waren poorten van deze naar de andere wereld. Door op rituele wijze te mummificeren kon de herboren dode via deze deuren later zijn lichaam opnieuw bezoeken. Zonder de juiste rituelen verdwaalden de dode zielen en werden ze met chaos geassocieerd. Voor hen was het Oordeel hels. Hiernamaals & chaos werden reëler dan het leven zelf.

1.2. Chaos bij Hesiodos & Plato.

§ 153

In de Theogonie48 van Hesiodos (ca. 800 v.Chr), de vader van de Griekse didactische poëzie, lezen we hoe Chaos eerst kwam en vervolgens de aarde, het zekere fundament van alles, de onsterfelijke goden & tenslotte Eros (115).

"The Theogony, or account of the origin of the gods, was the first (at any rate the first of which we know anything) attempt to bring the old stories together and order them systematically in the form of a history of the divine family traced back to its first ancestor Chaos (perhaps originally the "gape" or "gap" which appeared when the skygod was lifted up off the earthmother at the beginning of things). As such it provided a particularly convenient focus for the later critical reflections of the philosophers."
(Armstrong, A.H. : Classical Mediterranean Spirituality, The Crossroad Publishing Company New York, 1986, pp.9596.)

Voor Hesiodos worden alle goden uit Gaia (Aarde), Oeranos (Hemel) en Nyx (Nacht) de zogenaamde 'orfische' triade geboren (106 107). Zij zijn de opperste geschapen orde (hoogste zijn). Wat de chronologische volgorde van het ontstaan van de goden betreft, heeft Hesiodos zijn eigen opvattingen : nà Chaos komen enerzijds Gaia (Aarde), de onsterfelijken en Eros (Begeerte) en anderzijds Erebus (Duisternis) en Nyx (zwarte Nacht 123 zie ook Plato's Symposium, 178b). Nyx brengt Ether & Dag voort. Van alle goden is Eros de meest voortreffelijke.

Gaia schept uit zichzelf Hemel, opdat hij haar zou bedekken & zij een veilige haven voor de goden zou zijn. Chaos staataan het begin van deze theogonie. Hesiodos schrijft dat uit Chaos (" " 123)) Erebus & Nacht voortsproten, en " " kan zowel spatieel als temporeel begrepen worden. 'Chaos' is zo verwant met " ", de wortel van " ", 'gapen', vooral in de zin van 'wijd openen'.

Chaos en Gaia zijn de basiselementen van de mythe. Tussen beide bestaat er geen interactie. Omdat Gaia de zijnsorde (de onsterfelijke goden) schept en Chaos enkel via Nacht een reeks duistere goden in het leven roept, kan men stellen dat Chaos en Gaia elk hun eigen sfeer hebben en zo van elkaar gescheiden zijn zonder dat Chaos uit de zijnsorde wordt gelicht (vgl. de duistere goden zoals Lot & Dood met de rol van Seth). Stellen dat Chaos eerst komt wijst wél op een logische prioriteit. Samen met het geboren worden van Ether & Dag uit Nacht vormt dit interessant aanvullend mythisch materiaal over chaos.

"The craftsmangod of the Timaeus is like a common workman a cobbler with leather, a potter with clay, a sculptor with marble having to exercise his skill on unformed material which may resist the shape he has in mind and wishes to impose, but what would count as the preliminary material for a cosmos ? In one obvious way it can be called 'space' (chôra), that 'nurse of all becoming & change' (...) Plato summarised the character of space as 'invisible and formless, all-embracing, possessed in a most puzzling way of intelligibility, but very hard to grasp'."
(Wright, M.R. : Cosmology in Antiquity, Routledge London, 1995, p.81, mijn cursief)

Het is duidelijk dat de gangbare 'oude verhalen' nauw bij de OudeEgyptische scheppingsverhalen aansloten. Zowel het afgescheiden (in Egypte : negatief) bestaan als het eerder duister, ongedifferentieerd en onheilspellend karakter van de primordiale chaotische natuur (die zowel wereld als goden voorafgaat) hebben de Memphismythe uit het zwarte land ('chem') & Hesiodos gemeen.

§ 154

Chaos is hier een de passieve oersituatie. Dit lezen we bij Plato in de Timaeus. De aanvankelijke Ruimte (chaos) bestaat (samen met Zijnde en Wording) vóór het ontstaan van de Hemel. God, Demiurg en Maker van het Al, neemt het vóórtijdelijke ter hand en geometriseert het. Wat allesbehalve schoon & goed was, schenkt Hij een aangezicht door vormen & getallen (5253 ac). Het turbulente, het zich zonder harmonie of orde voorbewegende, het ordeloze brengt Hij tot orde (30a). Vuur, water, lucht & aarde (oerzijnden) voltrekken in de vóórtijdelijke Ruimte de rusteloze, wilde, redeloze beweging van de Wording (42e). In het begin is er een oerpoel ; God ordent die.

Hier, zoals bij Hesiodos, vervalt de regeneratieve, preëxis tentieelcreatieve betekenis van de ongeschapen Ruimte. Dat de priester van Horus-Seth de strijd met de chaos afkomstig van Apophis won, werd door het Grieks intellectueel apollinisme eerder aan roes dan aan waarheid toegeschreven (cfr. de verhouding tussen Apollo & Dionysius en diens rol in de Griekse mysteriën).

Chaos wordt negatief geduid : mist, duisternis, ordeloos, rusteloosheid, redeloosheid, lelijk, slecht, etc. ... God bevindt zich oorspronkelijk niet in de Chaos.

Dit wijkt af van de Oud-Egyptische oplossing. Atoum stond daar a.h.w. tangentieel tussen chaos & orde, terwijl Ptah zowel chaos als orde overspande. De vraag : 'Staat God buiten Zijn ?' kan echter binnen het platonisme niet zonder grote moeilijkheden beantwoord worden (cfr. Deel I, § 9). Het Al dat God schept is zelf één levend wezen dat in zich alle levende wezens (sterfelijk & onsterfelijk) bevat (69c). De verhouding tussen enerzijds God en anderzijds Chaos, Zijnde & Wording is niet duidelijk. Hoe omschrijft Plato de toestand vóór het Al door Gods geometrie ontstond ? De scheppergod gebruikt de rusteloze, elementaire oerzijden die in de chaos wervelen als de 'prima materia' voor zijn kosmisch maaksel.

Wat het 'openbreken' van het vóórtijdelijke betreft, treffen we in Oud-Egypte een monadische oplossing : Ptah is zowel preëxistentieel (ogdoade), scheppend (Atoum) als schepping (de goden zoals Râ), waardoor de diade van de geschapen orde kan ontstaan. Deze mythe blijft trouw aan de centrale intuïtie van het spiritueel leven van de mensheid : God is het/de Ene (theomonisme). Ook de qabalisten (cfr. infra), maar dan protorationeel, denken in die richting. Hesiodos' prerelaties bekemtonen vooral de prescheppende toestand van zijn eerste principe en zwijgt stil over de relatie(s) tussen Chaos & Gaia. Ook Plato werkt de verhouding(en) tussen Ruimte & Demiurg niet uit. Van een ogdoadische opdeling van het vóórtijdelijke is er bij hem geen sprake (in die zin is deze Griekse kosmogonie minder geraffineerd). Het theomonisme wordt verlaten voor een dramatische, epische kijk die apodictisch een reeks 'dramatis personæ' ten tonele voert en theodualistisch denkt : Chaos & Gaia (Ruimte & Maker) zijn de initiële voorwaarden van de mythe. Het begin is geen eenheid (monade) maar dualiteit (dyade).

Dit gaat in tegen de intuïtie (die in Oud-Egypte nog mythisch was) maar levert wel een objectivering van de kosmogonie als momenten van een proces dat prerationeel is. Het verlies van de oorspronkelijke monade zet het zelfbewustwordingsproces van het denken mede in gang en mondt uit in een terugvinden door de vrije rede van het intuïtief grondinzicht dat het begin één is (cfr. Deel III). Bij Hesiodos & Plato was de relatie tussen chaos & orde veel minder belangrijk dan in het zwarte land (cfr. de Oud-Egyptische hiernamaalscultus). De rede neigt trouwens (door haar orde) chaos weg te denken ...

§ 155

Het Oud-Egyptisch denken (bijna 3 millenia oud) is zeker (maar niet uitsluitend) 'mythisch', d.w.z. meestal 'prelogisch'. Het is geworteld in de Afrikaanse natuurmystiek (cfr. infra, Deel III).

Hesiodos' theogonie is ook 'mythisch', maar wordt door het begin van de gedachte gekenmerkt, d.w.z. door relaties tussen object (O) & subject (S) die wijzen op het ontwaken van prerationeel denken (cfr. Deel I, § 3). In de Memphistheologie is er het begin van het woord.

Terecht merkt Armstrong49 de grote mate van sofisticatie van deze mythen op. Toont dit niet aan dat we hier over een geavanceerde prelogica beschikken ? Een mythisch denken met sterke prerationele momenten ? M.i. is dit zo.

De prerationele momenten zijn echter onvoldoende sterk om tot protorationele of rationele theorieën aanleiding te geven. Object & subject worden niet in die mate van elkaar onderscheiden dat concepten kunnen ontstaan.

"The ancients did not attempt to solve the ultimate problems confronting man by a single and coherent theory ; that has been the method of approach since the time of the Greeks. Ancient thought mythopoeic, 'mythmaking' thought admitted side by side certain limited insights, which were held to be simultaneously valid, each in its own proper context, each corresponding to a definite avenue of approach. I have called this 'multiplicity of approaches', ..."
(Frankfort, H. : Ancient Egyptian Religion, Harper & Row New York, 1961 (1948), p.4)

De mythe sluit aan bij de sensorimotorische fase van de cognitieve groei, terwijl het prerationele denken preoperatorische kenmerken heeft.

In de Oud-Egyptische kosmogonieën hadden de ontstane coördinaties vaak betrekking op affectieve en actuele handelingen. De praktische, beeldende aard van dit volk is het sterkste voorbeeld. Van concepten was er schaars sprake omdat de coördinatie van de handeling door een gedachte enkel door geprivilegieerden gehanteerd kon worden (het faraonisch hof en de priesterklasse).

Het woord was trouwens 'machtig' (hekau) en werd gebruikt bij bezweringen, mummificaties, lofprijzingen, consecraties, mummificaties, kroningen, e.d. Alles wat geschapen is heeft een naam en de Egyptenaar wil zijn naam 'tot in eeuwigheid' laten voortbestaan.

De naam verleent identiteit, wezensgelijkheid en kan de persoon in zijn geheel vervangen.50

In de gemeenschap van deze tekeninterpretatoren konden prerationele relaties aangetroffen worden, niettegenstaande hun handelingscoördinatie meestal in werking trad op het ogenblik van hun praktische en materiële actualisering, meestal zonder bewuste kennis van hun ideële abstractie (cfr.Piaget), tenzij als goden.

De somatische dodencultus is een ander sterk voorbeeld (cfr. de ritus van de mummificatie en de cultus van de graftombe). In feite gaat het hier om een buitengewoon ontwikkeld geloof in leven nà de dood, bepaald door de daden verricht tijdens het leven. Was het oordeel negatief dan werd de ziel verslonden. O.m. door de juiste formules kon een en ander beïnvloed worden. De Oud-Egyptenaren waren erop uit hun lichamelijkheid te bewaren. Hierbij ontwikkelden zij wél begrippen die eerder 'psychisch' zijn (zoals 'ka' & 'ba'), maar deze stonden in dienst van een materieel transport van dit leven naar het leven hiernamaals (een soort necrofiele spectrologie).

De doden waren niet dood maar méér & beter in leven.

"De kunst van het mummificeren ontwikkelde zich bij het begin van het Oude Rijk, in dezelfde periode als de eerste trappenpiramiden, en maakte het mogelijk de mens met huid en haar over de dood heen te bewaren zoals hij er tijdens zijn leven uitzag, enkel door uitdroging wat kleiner en donkerder geworden. Daarbij werden technieken ontwikkeld die men alle pogingen ten spijt tot op heden niet heeft kunnen evenaren, laat staan overtreffen.
(Hornung, E. : Op.cit., p.214, mijn cursief)

Omdat vanaf het Oude Rijk de semiotische functies hun intreden deden (taal, symbolisch spel, mentale beeldvorming) veranderde (cfr. de Memphistheologie) de situatie op een opmerkelijke wijze : op de eenvoudige handeling superponeerde zich een nieuw, geïnterioriseerd type van handelen, nauwkeuriger mentaal gevat (weliswaar eerder prerelationeel en/of preconceptueel dan mythisch).

Zo was Ptah als scheppergod de mond die de naam van ieder ding noemde en een einde stelde aan de oertoestand "toen van nog geen enkel ding de naam genoemd was".51

Toch was er van een concept nog geen sprake omdat de interiorisatie niet meer was dan een kopiëren van het verloop van de coördinatie van de handeling door tekens of verbeeldingen die vaak gewoon zonder selectie op elkaar gestapeld worden zodat tegenstrijdige begrippen over hetzelfde ontstaan waartussen louter affectief en actioneel (niet conceptueel) gekozen wordt.

Het bewarende, mummificerende blijkt ook hier, want teksten werden bewaard, niet in de eerste plaats omwille van hun informatie, maar wél omdat ze fysieke getuigen waren van de machtswoorden uit het verleden.

De interiorisatie is geen denkobject, maar beperkt zich tot de interne structuur van de handelingen, terwijl dit preconcept gevormd wordt door de voorstelling en taal. Het hiërogliefenschrift sluit hierbij aan.

In deze preoperatorische, prerationele relaties tussen S en O tekent zich een aanzienlijke vooruitgang af, zowel qua interne coördinatie van S als wat de externe coördinatie van objecten betreft, met hun ruimtelijke en kinematografische structuren. Deze vooruitgang is niet alleen te danken aan de sociale interactie (het ontstaan van een Egyptische staatsvorm door Menes), maar ook aan de algehele vooruitgang van de preverbale intelligentie en aan de interiorisatie van de nabootsing in voorstellingen.

In het prerationeel, tribaal denken zijn de preconcepten en prerelaties de enige bemiddelaars tussen S en O, terwijl de causaliteit psychomorf blijft, d.w.z. er is nog geen helder onderscheid tussen de objecten en de handelingen van de subjecten. De objecten zijn een soort levende wezens, begiftigd met willekeurige vermogens, die hun toegekend worden vanuit de lokale handeling.

Logisch wordt er meestal nog geen onderscheid gemaakt tussen 'allen' en 'enkelen' ; vergelijkingen worden absoluut begrepen, b.v. A < B kan, maar A < B < C kan niet daar A < B absoluut wordt begrepen (wat C uitsluit).

De preconcepten en prerelaties staan halfweg tussen het actieschema en het concept. De semi-logische structuur drukt heel duidelijk de onderlinge verbindingen uitdie door de handeling en zijn schemata onthuld zijn, zonder dat zij evenwel al de omkeerbaarheid en de conservatie of duurzaamheid bereiken die de operaties kenmerken.

Het zoeken naar een blijvende stabiliteit temidden van de permanente flux is steeds voor de Oud-Egyptenaren een hoofdbekommernis gebleven. Dat sommige theologen tot protorationele relaties gekomen zijn mag niet betwijfeld worden. Voor de cultuur als geheel was dit niet zo.

Het psychomorfe van de causaliteitsrelatie treffen we ook aan bij Hesiodos.

We kunnen van diens theogonie immers niet zeggen dat zij (zoals dit bij de Ioniërs het geval was) de oorzaak der dingen wenst te verklaren. Twee belangrijke speculatieve elementen vallen wel op : enerzijds het doelgericht karakter van de schepping, namelijk als eeuwigveilige zetel van al wat is (Symposium, 178b) en anderzijds het begin van abstractie waarvan de dichter getuigt door de wereld stap na stap te reconstrueren en zodoende chaos aan het begin te denken. Deze chaos is méér dan alleen maar ruimte (namelijk de ruimte nodig voor de scheppergod om 'ergens op te kunnen staan'). Hesiodos' chaos verwijst naar het ongedifferentieerde ontijdelijke dat tevens vóórtijdelijk is (zoals in de Memphistheologie).

Het grote verschil tussen de Griekse chaos en het Oud Egyptische vóórtijdelijke betreft het passieve & onbestemde aard van de eerste. De scheppergod rijst er niet uit op, maar was er al. Op deze wijze vertrekt de platoonse kosmogonie van een dualisme dat radicaal van de theomonistische oplossing afwijkt. Theodualisme is problematisch. We kunnen ons immers afvragen waarom de scheppergod en de chaos van rusteloze oerzijnden los van elkaar staan. Het is duidelijk dat deze dualiteit de mythische voorloper is van Plato's ontologie van de twee werelden. De wereld van de Vormen taxeert hij als beter & mooier.

" ... since the craftsman's creation is not ex nihilo, the chôra must somehow have the means within it, what Aristotle would later call the potentiality, to accept the forms of observed phenomena."
(Wright, M.R. : Op.cit., p.81)

1.3. Chaos in het Oude Testament, Bahir & Zohar.

§ 156

"Entête Elohîm créait les ciels et la terre,
la terre était tohuetbohu,
une ténèbre sur les faces de l'abîme,
mais le souffle d'Elohîm planait sur les faces des eaux."52

(Genesis 1,12)

In de katholieke Willibrordvertalingen geldt Elohîm = God. Elders53 werd de moeilijkheden van deze identiteit beargumenteerd. De Elohîms ('elohîm' is het mannelijk meervoud van een vrouwelijk woord dat we hier met 's' schrijven) zijn de geschapen, goddelijke veelvuldigheden, een orde van 1 (Kroon) tot 10 (Koninkrijk).

"IHadonaïVH est l'Être unique, la matrice de tout vie, Celui qui a été, qui est et qui sera. Les Elohîms en expriment les puissances créatrices infinies. Ce Nom, IHVH Adonaï, ne peut être oublié ni trituré. Elohîms ne peut être pensé sans idolâterie qu'à partir de Lui, tel qu'Il s'est manifesté sur le Sinaï, tel qu'il a été reconnu et annoncé par Moshè, par les prophètes, par Iéshoua' et par les apôtres. (...) N'oublious pas que si IHVH Adonaï est Unique, Elohîms est pluriel. Les prophètes n'ont jamais aspiré à voir un univers monolithique : l'Unité qu'ils annoncent n'est pas faite d'uniformité, mais, d'une universelle et vivante diversité, dans l'unite de l'Être qui la fonde, IHVH. Mieux que monothéistes, ils sont théomonistes."
(Chouraqui, A. : Moïse, du RocherParis, '95, pp.181182, mijn cursief)

De Elohîms zijn de onuitputtelijke scheppende energieën van het gemanifesteerde bestaan. Deze veelheid wordt door de potentiële, virtuele, transcendente matrix van het Al gedragen, d.w.z. door YHadonaïVH (m.a.w. YHVH, God uitgesproken als 'Adonaï') ; Eén & God. In de mozaische theologie is YHadonaïVH de "Elohîms der Elohîms" d.w.z. 'Deus Absconditus' (virtuele leegte = {0}) én "God der goden". Kenmerkend voor God is dat we er niet over kunnen spreken (apophatisme), want God staat buiten de schepping (de schepping 'rust' a.h.w. in God).

Dus : God = YHadonaïVH (één) Elohîms (veel)

"Je vois la terre, voici le tohubohu ;
et les ciels, leur lumière n'est pas."

(Jeremias 4,23)

Chaos is duister, volstrekt tegengesteld aan van het goddelijke, het licht. Het is beginsel van het kwaad.

"Vous ne vous écarterez pas derrière le tohu qui est inutile et qui ne secourt pas : oui, euxmêmes sont un tohu."

(I Samuel 12,21)

"Les caravanes s'infiltrent sur leur route ; elles montent en tohu et périssent."

(Job, 6,18)

"Tohu wabohu" kan vertaald worden als "ongeordende en doodse wildernis".54 Chaos is nutteloos en vernietigend. Wie ermee in aanraking komt gaat ten onder ...

"Vous vous approchez,
vous vous tenez sous la montagne ;
et la montagne brûle de feu jusqu'au coeur des ciels :
ténèbre, nuée, brouillard."

(Deuteronomium 4,10)

In Kennis en Minnemystiek werd Gods eenvoudige essentie begrepen als samenvallend met alle mogelijkheden, d.w.z. volstrekt virtueel, potentieel, ongeschapen & ongemanifesteerd (= {0}). De Elohîms zijn Gods veelvuldige existenties, reëel, actueel, geschapen en gemanifesteerd.55 Onder 'God' wordt verstaan : YHVH, de Naam, tetragrammaton, uitgesproken als 'Adonaï'. "YHadonaÏVH Elohîms" omvat God én het geheel van al wat Goddelijk is, d.i. Gods essentie (YHadonaïVH) én existentie ('energieën' of de Elohîms) samen. Wie 'Elohîms' zegt, spreekt altijd woordeloos 'God' uit. De Elohîms zijn de geschapen (cfr. de elocutie der Elohîms) scheppende energieën van een levende diversiteit geborgen in de onuitspreekbare oermatrix van Gods essentie. Zo overspant "YHadonaïVH Elohîms" het virtuele én het manifeste. Naast 'zijn' impliceert het wat vóór het 'zijn' vóórtijdelijk & vóórruimtelijk virtueel 'was, is & zal zijn' (of 'prezijn' cfr. Marius Victorinus, zie ook het logosbegrip bij Philo van Alexandrië).

De 'Schepper' is en wordt de Eerste onder de Elohîms ('Kether', Kroon). Hij kende Mozes bij naam en sprak. De eerste onder de Elohîms is de Vader van alles wat in Zijn Licht bestaat. Hij sprak : "Ik ben en zal zijn". 'Ik' besta als een inwonende aanwezigheid in alle zijnden. 'Ik' ben begin en eindpunt van alle zijnden (van Mijn kosmos). "Ik ben die Ik ben". De veelzijdige Kroon (1, 1 + 1 = 2, 2 + 1 = 3, ...) is één punt in de actieve leegte van Ain Soph, de Oneindige Ruimte Gods (cfr. YHVH, 1995). Chaos is onderdeel van de geschapen orde, niet van God of de Elohîms. Enkel God is vóórtijdelijk én virtueel.

In God (als 'Ain Soph Aur') rusten alle mogelijkheden uit (latentie) en worden alle zaden van de kosmoi (de Eerste, volgende & Laatste) preëxistentieel gevat.

Door God niet te conceptualiseren en niet uit te spreken, door m.a.w. een radicaal, streng & ascetisch apophatisme na te streven (wat buitengewoon moeilijk is voor de devotie die mentale kapstokken behoeft) wordt beseft hoe het actuele (kosmos) baadt in het virtuele (God).

De Elohîms zijn niet virtueel, maar wel hyper(super)reëel (hoogste zijn). De Tien Elohîms funderen dynamiek & statica van de Schepping. De eerste drie Elohîms funderen de Scheppingsdaad. Hun abstracte activiteit is in de actuele kosmos maar gescheiden van de feitelijke wereld. Zo valt de actualiteit uiteen in feitelijkheid & abstractie. De abstractie (Atziluth) betreft de Goddelijke sfeer in de actuele kosmos. Elk feit baadt in abstractie zoals elke kosmos oprijst uit God. De feitelijkheid wordt verder in drie opgedeeld (Briah, Yetzirah, Assiah) :

de actuele zijnsorde

abstracte orde :

* Atziluth : de Goddelijke Elohîms

feitelijke orde :

* Briah : kosmosproducerende seminale Ideeën ;
* Yetzirah : de actuele groeivoorwaarden van elke Idee ;
* Assiah : de manifestatie van objectieve feiten.

Deze ontotheologie is complex en protorationeel. Een strikt apophatische qabalah situeert chaos niet vóór (Oud-Egypte), simultaan met (Hesiodos, Plato) of in God. Chaos ontstaat nà de Scheppingsdaad. D.i. een qabalah die zelden school maakte is omdat naast de intellectuele contemplatie van het Goddelijke het mystiek gevoel en haar eeuwige zinnebeelden (iconen) hier even belangrijk zijn. Kern is het onderscheid tussen Adonaï & de Elohîms.

§ 157

Als God en chaos oorsponkelijk niet één waren (zoals in de Memphistheologie die Atoum uit Noun laat oprijzen), noch altijd al bestonden (zoals in de Timaeus waar God het gegeven ordeloze ordent) dan rijst de vraag hoe chaos en God zich in de qabalah verhouden ? In de Sepher Yetzirah lezen we immers : "He formed substance out of chaos and made non-existence into existence."56

Enerzijds moet worden opgemerkt dat volgens de Bahir (verschenen in 1176) de eerste verzen uit Genesis nauwkeuriger moeten gelezen worden. "It is written, 'The Earth was Tohu and Bohu.' What is the meaning of the word 'was' in this verse ? This indicates that the Chaos existed previously (and already was)."57 M.a.w. de kosmos waarover in Genesis sprake is, was niet de Eerste kosmos. Zo vinden we ook in de Midrash : "God created universes and destroyed them." (Bereshit Rabbah 3:7).58

Anderzijds is het zo dat om de zoveelste kosmos te kunnen scheppen, God via diens Kether de basisingrediënten 'tohu' & 'bohu' bewerkte en een kanaal behoefde, want : "In order to receive God's Light, a Vessel must in some way be connected to God. (...) Hence, in order to receive God's Light, the Vessel must, at least to some degree resemble God. This presents a difficulty, however. If God is the ultimate Giver, while the Vessel only receives, the two are then absolute opposites. Therefore, in order for a vessel to properly receive, it must also give."59

Verklaren hoe God de Elohîms schept, hoe m.a.w. het virtuele tot het actuele (abstract & feitelijk) overgaat, vormt hét centrale probleem van de qabalah.

God schiep eerst een Eerste kosmos die uit Vaten bestond die niet konden geven. Dit werd een chaotische kosmos. Omdat ze niets gaven, werden ze vervolgens gebroken. God trok Zijn Licht terug. Chaos bleef achter. De tweede, derde, vierde, nde kosmos daarna moesten afrekenen met de aanwezige 'achtergrondruis' van de afgewezen chaotische pseudoorde, ooit door God geschapen "so that evil should come into being, thus giving man the freedom of choice, which, as we have seen, was necessary for the rectification of the Vessels. Furthermore, since evil originated in the highest original Vessels, it can be rectified and reelevated to this level."60 De kabbalisten schatten chaos in als de Andere Zijde van zuivere ongeschonden (naakte, ongerepte, eenvoudige) potentie (het virtuele, God) en realiteit (het actuele, de kosmos). Oorsponkelijk bestonden de 9 Vaten (de letters van 'Ain Soph Aur') volstrekt virtueel in God, terwijl ze nà het 'breken' het rijk van de lege schillen (qlipoth) vormen. Chaos is zo een integraal onderdeel van het Al. Noemen we de actuele kosmos 'zijn', dan is 'Tohu' de afwezigheid ervan, 'niet-zijn'.

"Tohu is a place which has no colour and no form, and the esoteric principle of 'form' does not apply to it. It seems for a moment to have a form, but when looked at again it has no form. Everything has a 'vestment' except this."
(Sperling, H. & Simon, M. (transl) : The Zohar, The Soncino Press New York, 1984, vol.I, p.66)

Chaos is een 'spirituele riolering' die de kosmische orde mee opbouwt. Gedurende het bestaan van de kosmos blijft chaos voortdurend present, want de achtergrondruis ooit veroorzaakt door de gebroken Vaten is nog aanwezig en dit tot het einde van deze kosmos (diens Jubileum) en tot het einde van de schepping (het Jubileum der Jubilea) !

Bij latere kabbalisten treffen we de zogenaamde "transgressieve theürgie"61 aan. Ook hedendaagse specialisten zoals Scholem, die deze kabbalah eerder onder "des discours antinomistes"62 rekent, worden erdoor geboeid. In de Talmoed lezen we : "Groot is de gedesinteresseerde transgressie, groter dan de gedesinteresseerde observantie." (Horayot, 10a). De mogelijkheid "d'une sainte ruse est ouverte"63. Transgressie maakt de splitsing tussen de mannelijke & vrouwelijke polen en het Goddelijke Pleroma.

De Wet breken is kosmos doden.

"... l'extraction des étincelles de sainteté enfermées dans les coquilles impures nécessite parfois de se plonger dans leur domaine et d'entrer en contact avec elles. (...) comment restaurer la substance du plérome en extrayant les étincelles au moyen d'une opération théurgique hors la loi (...) censée par ailleurs provoquer une séparation dans ce plérome et susciter l'emprise de l'Autre côté dur la Chekhina ? La réponse (...) est assez simple : cette opération théurgique transgressive ne causera aucun dommage au sein du plérome dans la situation singulière qui sera la sienne à la veille de l'achèvement ultime de sa restauration. (...) la transgression désintéressée (...) opérée en faveur de l'extraction des dernières étincelle encore prisonnières, n'entraînera pas de dommage dans le monde supérieur."
(Mopsik, Ch. : Les Grands Textes de la Cabale, Verdier Paris, 1993, p.539, mijn cursief)

Deze transgressieve theürgie is m.i. een protorationeel interactiemodel tussen orde & chaos. Orde (of zijn) en chaos (of niet-zijn) onderscheiden zich van God (voorbij zijn én niet-zijn). In God is geen orde én geen chaos.

De kosmoi rijzen op uit God (paradoxaal). Chaos is het gevolg van een wanordelijk gebruik van vrijheid. Chaos is noodzakelijk noch gewild door God of het Goddelijke (de geschapen én scheppende Elohîms).

Chaos heeft een negatieve plaats in de orde der dingen. Het is niet en kan enkel 'werken' omdat het ordekiemen opsluit & uitbuit (de mythische Goddelijke lichtvonken). Zonder slachtoffers is chaos volstrekt passieve leegte (= 0, geen enkele mogelijkheid), de omkering van de actieve (vol)leegte van God (= {0}, alle mogelijkheden).

Ook in het Jodendom is de qabalah uitzonderlijk. Uit de Torah blijkt dat de doden & chaos niet uitvoerig uitgewerkt worden. Vergelijkbaar met de Griekse versie (cfr. Homeros) zijn de doden vergeten schimmen. Het breken van de Wet omwille van abstracte motieven is ook niet erg geliefd. Het Koninkrijk op Aarde manifesteren staat centraal. Dat het omgaan met chaos hierbij noodzakelijk & mogelijk is, behoorde wél tot het spiritueel erfgoed (qabalah) maar was niet populair.

Een en ander heeft te maken met het gevaar gek te worden. Het lukraak omgaan met turbulentie kan tot waanvoorstellingen & hallucinaties leiden. Vooral als de devotie voor de Wet van kindsbeen aangeleerd wordt, kan een zelfbewuste confrontatie met chaos inderdaad het vertrouwen in de eigen rechtschapenheid aantasten en zo de invloed van de 'Andere Zijde' te groot maken.

1.4. Korte schets van het christelijk chaosbegrip.

§ 158

Noemen we de Oud-Egyptische, Griekse & Joodse chaosbegrippen eerder 'kosmogonisch', dan is de christelijke vorm eerder 'personalistisch'. We schetsen deze mythe.

In het Nieuwe Testament staan centraal : incarnatie, leven, passie, verrijzenis, hemelvaart en geesteszending van Jezus, de Christus. Een geschenk van de Vader aan Israël en de mensheid ! Van leven naar dood naar een nieuw leven, d.w.z. voorbij dit leven en die dood (cfr. de thematiek van de offerkoning & de universele martelaar). De evangelisten Mattheüs & Lucas baseren zich op Marcus voor wat de dramatische opeenvolging (de rubrieken) van hun verhaal betreft. Ze wijzigen aan dit scenario hier en daar wat details. Onafhankelijk van elkaar gebruiken ze een boek, de Woorden van Jezus. De Jezus uit dat boek (Q, van het Duitse "Quelle", bron) verschilt van 'de christus' van de evangelisten (cfr. Q, Antwerpen, 1996).

Het evangelisch verhaal denkt (cfr. het neoplatonisme) God als 'Goed'. De apophatische inzichten zijn té subtiel voor deze populistische mythes. Jezus (die zichzelf in Q 'Zoon van de mensen' noemt) wordt in de eerste twee eeuwen omgetoverd tot de 'logos' van de schepper (de Vader), die zonder beginsel is, uit niemand voortkomt en beginsel van de Zoon ('logos') en de Heilige Geest is (cfr. de NagHammadignostiek). De oude distinctie tussen God ({0}) en de Schepper (1) wordt ongedaan gemaakt : {0} = 1, waardoor dezelfde moeilijkheden ontstaan als in het platonisme (cfr. Deel I, § 9) en God gereduceerd wordt tot een hoogste limietzijn zonder échte transcendentie.

De katholieke versie van de christelijke mythe gaat nog een stapje verder wanneer ze (na God gechosifieerd te hebben) Jezus en God ook identificeren. Hiermee werd de reeds in Oud-Egypte vigerende iconomatische theologie in dit denken ingebakken en kon God 'persoonlijk' worden ingeschat. Het is mogelijk Jezus als de enige Goddelijke mens in te schatten (n.l. als 'logos', of tweede Elohîms) én recht te doen aan God door antropomorfische identificaties achterwege te laten. {0} = 1 moet gehandhaafd.

De verhalen gaan verder. Het 'offer van Jeruzalem' voltrekt zich volgens de Wet van het Oude Verbond. De verrader Judas bevond zich nabij de Heiland, uit de gezalfde wortel van David. De verrijzenis is de triomf op de dood maar ze passeert langs haar duisternissen. Uit het Rijk van de Hemel wordt chaos (gepersonifieerd door de antiserafijnen Lucifer & Satan en hun gevallen engelen, de demonen) door aartsengel Michaël uitgedreven. Christus ziet hem als bliksem uit de hemel vallen. Demonen drijft Hij duchtig uit. Judas wordt zeker niet uit de groep gezet om dit leven, Zijn leven, te redden. De hel wordt niet geschuwd om met Zijn lichtlichaam zielen te redden. Christus is er altijd voor de andere. Hij is offerlam én offeraar.

De band met de Boze is steeds exclusief & negatief.

Exclusief, want de duivel wordt theologisch als een opponent geduid. Het subject ervaart dat andere als een gevaar voor de eigen subjectiviteit. Theologisch : het zijn dat 'goed' is bestaat en het niet-zijn dat 'slecht' is bestaat niet. De Boze kiest voor de leegte die niets blijft. Hij bestaat niet maar toch is hij 'de prins van de wereld'. Hoe kan zonder fantasie, suggestie & fictie aan een vermeend niet-wezen zoveel macht toegeschreven worden ?

Het christendom kiest voor het 'mysterium inequitatis'. Satan is afwezigheid van goedheid, scheppingskracht en existentie (vgl. met de 'privatio boni' bij Plotinos).

Negatief, want God & Satan worden op een absolute wijze van elkaar afgescheiden. Hierdoor wordt de lineaire kijk op de mens als groepsdier, volk & gemeenschap (kerk) gegrond. De interacties tussen destructie & constructie worden weggedacht. Chaos bestaat niet. Tot Vaticanum II werden exorcismen echter regelmatig uitgesproken. De duivel wordt nog steeds als vijand bestreden. Wie is hij ?

"Quand donc on affirme en accumulant négation sur négation : le démon n'est pas un ange mais un non-ange ; il n'est pas être mais néant (ou non-être) ; il est rien, le language même tombe dans la contradiction, car s'il est, il est quelque chose. Dire 'il est rien', c'est une contradiction dans les termes."
(Laurentin, R. : Le démon : mythe ou réalité, Fayard Paris, 1995, p.149)

Dat het actieve, werkende kwaad tot iets dient is vooral soteriologisch van belang. Het 'mysterium inequitatis' blijft immers theologisch nagenoeg onopgelost. Kerkvaders zoals Augustinus beklemtoonden in neoplatoonse stijl de wezenlijk 'goede' aard van God (= Vader). De Vader schiep de wereld goed. De 'oorzaak' van het kwaad lag niet bij Hem. Is Hij voor de mogelijkheid ervan verantwoordelijk ? Satan koos voor het bestaan buiten de zalige, opbouwende en levende genade. Satan kiest voor lijden, destructie en dood. Waarom is niet duidelijk. De christenen schuwen Satan. Ze kennen hem dus niet.

Satan, die volgens de 'moderne' katholieke theologie (Bultmann, Haag) enkel het bozeindemens zou personifiëren, bemint het kwade. Lucifer keert het liefdesgebod om tot dewiltothaat, egoïsme & macht. Het uiteindelijk doel ? Een Aarde zonder leven : duister, chaotisch & dood.

In zijn toespraak tijdens de algemene audiëntie van 15 november 1972 omschreef Paulus VI hem als volgt : "Le Mal n'est plus seulement une déficience, il est le fait d'un être vivant, spirituel, perverti et pervertisseur. Terrible, mystérieuse et redoutable réalité."64 Ontologisch en dogmatisch blijven Satan en zijn demonen actieve, negatieve krachten op het toneel van het christelijk chaosbegrip. Christus & tegenspeler antichrist zijn onlosmakelijk.

In de zogenaamde moderne 'postconciliaire' theologie krijgt de duivel meestal het gelaat van de mens zélf. De drie exorcismen van het doopsel verdwijnen alsook de lagere orde van de exorcist. De moderne liturgie spreekt niet graag over de duivel en zijn demonen. Ze worden weliswaar 188 keren in het Nieuwe Testament vermeld, maar dat zijn dan de zogenaamde mythische, analoge, metaforische, contextuele suggesties van de 'blinde' min of meer 'autonome' invloeden uitgaande van sociale systemen (bureaucratie) en/of de objectieve effecten van menselijke fouten. Satan is niets meer dan een naam voor de verzameling van alle slechte menselijke keuzes.

Sinds de opkomst in de 'golden sixties' van dit katholiek modernisme (Vaticanum II) verlieten 40.000 priesters het ambt. In Europa blijven priesterroepingen dalen. De tegenspeler 'definitief' geschrapt ? Chaos werd er niet minder turbulent door en priesters niet beter in staat om chaos te ordenen. Hun spirituele autoriteit was nog nooit zo laag.

Het rijk van Satan de antichrist is niet tijdelijk. De hel is absoluut. Een algeheel herstel (Origenes) wordt dogmatisch als ketters afgewezen. Waarom de Satan door het 'depositum fidei' zijn definitieve plek toegewezen kreeg, is niet duidelijk. Waren theoautoritaire motieven hier meer aan de orde dan een authentiek verlangen naar logische juistheid ? Immers, de hel absoluut denken, maakt dat op de 'Laatste Dag' (gedacht hetzij als einde van dit wereldbestel, hetzij als het einde van alle kosmoi) hemel én hel overblijven (het vagevuur is dan immers volledig leeg). Deze dualistische eindsituatie is volstrekt onverenigbaar met de noodzaak van Gods eenheid (in het begin, in het proces en uiteindelijk, eschatologisch, aan het einde cfr. het theomonisme).

Wel maakt deze opvatting duidelijk dat niettegenstaande Satan enerzijds als 'afwezigheid van zijn' wordt geduid hij anderzijds een exclusieve ontologische behandeling krijgt. Hij is zo slecht dat zelfs God hem niet kan (mag, wil) omkeren ! Dit ondanks Gods Eenheid & Goddelijke barmhartigheid. De zielen die zich aan de chaotische duivel overgeven, zijn definitief, onomkeerbaar, finaal afgesneden en dit zelfs nadat de Laatste Dag voorbij is (cfr. het vuur dat niet dooft). Dit christelijk chaosbegrip leidt tot aanzienlijke inconsistenties, vooral wanneer de theologie de goddelijke liefde als haar eerste voorwerp neemt. Ze illustreert een natuurvreemde, lineaire kijk op wanorde. Satan is een absoluut geïsoleerde 'zwarte doos'. De wisselwerkingen tussen Satan en Christus zijn enkel negatief. Een theologie van Satan blijft uit ondanks de vele exorcismen in de canonieke evangeliën. Dreigt door zich in verouderde modellen vast te bijten het christendom naar de lachwekkende absurditeiten van sektarisme af te glijden ? Een systematische herziening van de christelijke theologie ?

1.5. Samenvatting van het voorgaande.

§ 159

Het mythisch gelaat van chaos (Oud-Egypte) is rusteloos, wild, turbulent, dynamisch, negatief, destructief, vernietigend, kwaadaardig.

"Aan de ene kant moet het verlichtingsgeloof, dat alle werkelijkheid vanuit de rede kan worden verklaard en dat er geen mythen meer nodig zijn, zelf als een mythe worden beschouwd. Aan de andere kant behoort men in te zien dat ook de mythen een rationele en verklarende functie hebben omdat zij orde scheppen en oriëntering mogelijk maken in een chaotische wereld."
(Kimmerle, H. : Dialogen tussen Afrikaanse en Westerse filosofieën, Boom Meppel Amsterdam, 1995, p.150 die verwijst naar de Dialektiek der Aufklärung, mijn cursief)

Het pre & protorationeel gelaat van chaos (resp. Hesiodos & Plato) is onvoorspelbaar, wordend, redeloos, lelijk, slecht. Chaos is zowel natuurlijk als cultuurlijk destructief. Een religieus pre & protorationeel discours over chaos treft men bij de kabbalisten aan (Luria e.a.).65 We vinden volgende opties :

* Ofwel was & is chaos er altijd : Memphistheologie, Hesiodos' Theogonie ;
* Ofwel was, is en zal chaos er maar tijdelijk zijn : Genesis, Bahir, Zohar ;
* Ofwel staat chaos buiten de kosmos : Memphistheologie
* Ofwel is chaos antikosmos : qabalah, christendom .

§ 160

De Oud-Eyptische resp. Joodse denkers zien de oerchaos als een oeroceaan, resp. een afgrond die het 'Goddelijke' verbergt.

Voor de Oud-Egyptenaar kwamen goden & wereld eruit voort. Voor de kabbalist liggen dààr de laatste lichtvonken gekluisterd. Door deze te bevrijden, werkt hij de algehele restoratie van 'tohu' in de hand.

Voor hem was chaos tegelijk oeroorsprong & afschuwwekkend. D.i. een voorbeeld van wat Frankfort de 'multiplicity of approaches' noemde. Deze reeds bij de Oud-Egyptenaren voorkomende karakteristiek is typisch voor de Afrikaanse wijsbegeerte en haar panenergetische benadering van het leven, waarin niet de categorie 'zijn' centraal staat, maar 'ntu' (cfr. Bantoefilosofie), doorgaans vertaald als 'kracht' (cfr. Deel III).

Deze wijze van denken bezit dus potentieel de verbindende schakel tussen het rationeel (decontextualiserend) denken en de eerdere stadia van de cognitieve groei die met contextualiserende preconcepten & prerelaties opereren.

"Voor de oppositionele logica is het een onaanvaardbare gedachte, dat men bij voorbeeld bij de Bambara (in het huidige Mali) in reïncarnatie gelooft en tegelijk aanneemt, dat de geest in de onzichtbare wereld aanwezig blijft."
(Kimmerle, H. : Op.cit., p.160)

De Oud-Egyptische idee om chaos als bron van al te zien is voor Israël ondenkbaar, want zij verbindt oorsprong met Goddelijke zuiverheid.

De monade Gods kan niet gekend worden. De traditie van het niet-kennend weten (de 'levende kennis' of 'Da'at') levert echter wél de praktische zekerheid dat uit de monade geen onreinheid voortkwam.

Bijgevolg is het niet mogelijk van de monade te zeggen dat die chaotisch zou zijn en vervolgens orde voortbracht. Ook is het ondenkbaar dat de oermatrix van de orde in het prezijn door chaos omgeven was, vervolgens rechtop ging staan om plaats te ruimen voor de manifeste orde.

God is 'de Oneindige' (Ain Soph), gevisualiseerd als een oneindige ruimte. God maakt in die ruimte een holte en brengt aldaar Zijn Licht samen tot één Punt (de Kether van dié kosmos). Uit dàt Punt (Schepper) stroomt het licht van dié wereld. Chaos is er door misbruik van vrijheid.

Zowel in de oasetempels van Egypte als in de droge Sinaï is chaos aan het werk in, maar tegen de orde, de kosmos.

Voor de priesters van Horus-Seth is orde altijd sterker, maar blijkt chaos nodig. Voor de mystieke bijbelse zieners moet Israël haar verantwoordelijkheden nemen & de geketende vonken bevrijden volgens het plan van Elohîms.

Ondanks de vele ontologische verschillen tussen beide zijn deze gelijkenissen opvallend : chaos vervult een rol in de kosmos. Voor de Oud-Egyptenaren maakt chaos een hergeboorte mogelijk. Voor Israël is chaos omwille van de algehele restoratie voorwerp van theürgie.

§ 160

Het mythisch, pre & protorationeel denken heeft blijkbaar geen moeite om aan niet-lineaire turbulentie, onvoorspelbaarheid & wanordelijkheid een plaats toe te kennen & gebruiksaanwijzingen uit te werken. Er wordt aangevoeld dat orde en wanorde op een bijzondere wijze met elkaar kunnen interacteren.

Enerzijds is deze interactie niet zonder risico. Door verlies van orde wordt variatie afgeremd, omgekeerd. Chaos volgt het paradigma van het antileven en dient de dood. Chaos als de schaduw van de kosmos ? Een schaduw die enkel door het Grenzeloos Licht ten tijde van het 'Jubileum van de Jubilea' voor eens en voor altijd volledig oplicht ?

Anderzijds kan voor al wat leeft een tijdelijk treffen met een mogelijke dood (of doodsgedachten) regenererend werken. Zoals bepaalde ziektes de immuniteit kunnen versterken en het lichaam vitaler kunnen maken, zo kan de wanorde door conflict te verwekken het harmoniserend, ordenend, innerlijk oerbeeld of archetype scherper, abstracter & werkzamer maken. D.i. Plato's Idee van het goede, schone & ware, de oerbron van elke kosmos, van de kosmoï. Door groei-door-crisis worden vele onregelmatigheden in de mogelijke orde veel sneller dan nominaal opgemerkt en zo vlugger in het groter geheel van de kosmiciteit van het zijn opgenomen (geïntegreerd). Het moderne rationele denken heeft grote moeilijkheden om chaos te vatten, laat staan veilige richtingaanwijzers te vinden. Dit heeft gevolgen. Door wat aanwezig is in taal tot 'zijn' te verheffen, belet men de bewuste integratie van wat logocentrisch niet aanwezig is : de momentane niet-lineariteit van het leven.


2. Het paradigma van Newton versus relativiteit, kwantum & de levenstheorie.

§ 161

De middeleeuwse natuurfilosofie dacht in termen van een absoluut referentiekader voor alle fysische verschijnselen in Aristoteles' onvergankelijke kosmos. Inzake beweging (en tijd) was zijn wereldbeeld uitgangspunt.

"All local movement supposes a term or fixed place to which the positions of the mobile are compared successively. What is this term, then, that cannot be moved and to which all local movement is referred ? Aristotle said that it is the earth (...) All change is accomplished in time. The determination of this time requires the existence of an absolutely uniform, privileged movement that marks the duration of all the other changes. Where does one find this first clock ? This first clock, said Aristotle, is the diurnal movement of the first mobile. Since the first mobile is perfect and absolute, it is necessary that its movements be an absolutely uniform rotation. Moreover, since there can exist only one world, this unique clock marks the same time for all the movements accomplished in heaven and on earth."
(Duhem, P. : Medieval Cosmology (translated by Ariew), University of Chicago Press Chicago, 1985, pp.361362, mijn cursief)

We onderzoeken het standaardparadigma van Newton dat toch onder druk van relativiteits en kwantumtheorie brak en bespreken (in hoofdstuk 3) de chaostheorie.

Allereerst deze korte bepaling van de grootte der dingen. Een trichotome onderverdeling van de realiteit-voor-ons (cfr. Deel I) geeft volgend schema :

(1) Macrogebied :

* kosmos
* melkwegstelsel
* zonnestelsel

(2) Middengebied :

* vrouw (10² cm)
* lieveheersbeestje (1 cm)
* vliegje (101)
* amoebe (102)

(3) Microgebied :

* rode bloedcel (103)
* cholerabakteriën (104)
* grote molecule (107)
* atoom (108)
* subatomair
* ?

§ 162

Voorwerp Discipline Revoluties
beweging wiskunde chaos
massa natuurkunde hitte, relativiteit, kwantum
leven biologie evolutieleer, genetica

2.1. Bij wijze van situering : twee duistere wolken.

Het ideëel Cartesiaans eenheidsideaal werd in de natuurkunde uit de vorige eeuw de techné van een gesloten, thermodynamisch, Newtoniaans denkmodel. De kosmos werd ingeschat als een gigantisch gesloten systeem zonder vensters of deuren onderhevig aan de chaotische kataboliek van de entropie. De 'warme' Carnotcyclus die daarin bewoog was gedoemd om uiteindelijk (a.h.w. als de veer van de mechanische muziekpop uit de laatste opera van Jacques Offenbach) stil te vallen. Had deze cultuur van stoom, teringlijders, sadomasochisten en ruïnes vooral oog voor een kosmos als een 'nature morte' ?

Vóór 1900 bestond wél de antinomie tussen mechanica en thermodynamica, tussen de beschrijving van het gedetermineerde verloop van systemen in rust of beweging (de volledig gedetermineerde overgang van een initiële toestand naar alle daaropvolgende toestanden), en het benaderen van een thermodynamische evolutie door gebruik te maken van waarschijnlijkheidsconcepten. Dit conflict bracht aan het determinisme (een volledig voorspelbare overgang van initieel naar actueel) geen grote schade toe. Met de eeuwwende verschenen 'twee duistere wolken' (Kelvin in 1901). Het moderne technomonolitische landschap leek helder waren er niet die wolken : Hoe Newtons visie aangaande ruimte & tijd (en de daarop gestoelde Galileitransformaties) in de nabijheid brengen van de feiten waargenomen in het experiment van Michelson & Morley (1887), zoals de constante snelheid van het licht ? Hoe Newtons continuïteitshypothese & differentiaalcalculus verenigen met waarnemingen die de discontinuïteit van bepaalde subatomaire processen schenen te impliceren (cfr. de ultravioletcatastrofe) ?

Het werd duidelijk dat :

a) de wereldbeschouwing gebaseerd op Newton principieel moest herzien worden (niettegenstaande Max Planck de ijdele hoop had gehad dat de implicaties van zijn artikel van december 1900 waarin hij de discontinue grondslag van de materie voor het eerst besprak door zijn collega's binnen het raamwerk van de fysica van Newton zouden geplaatst kunnen worden) ;
b) deze themata uiteindelijk i.p.v. integrerend eerder contrasterend tot verscheurend zouden inwerken op het herstel van de eenheid binnen de natuurkunde. Het eerste leidt tot de speciale en algemene relativiteitstheorie, het tweede tot de kwantummechanica. Beide theorieën staan fundamenteel haaks op elkaar. Einsteins unitaire, deterministische visie op ruimtetijd versus Bohrs kwantummechanica met haar onzekerheid & waarschijnlijkheid (probabilisme). Beiden breken echter met Newton. Einstein verwerpt het absoluut raamwerk (de absolute klok & de absolute ruimte). Bohr verwerpt het deterministisch objectivisme (volledige natuurbeschrijving & verdringing van de rol gespeeld door de waarnemer).

2.2. Op zoek naar een nieuw materieconcept.

§ 163

In zijn Philosophiae Naturalis Principia Mathematica (1687) verwezenlijkte Newton (1642 -1727) ten dele de droom van Descartes : een universele beschrijving van de zwaartekracht van lichamen beschouwd als stoffelijke punten die in een absolute tijd & ruimte voortbewegen. Door de invoering van het krachtbegrip brak hij radicaal met de traditie van het 17deeeuwse mechanisme waarin de beweging van een lichaam slechts door een ander bewegend lichaam kon worden gewijzigd (cfr. Deel I, § 118). De oorzaak van beweging bleef bij Descartes niet nader gespecifieerd, bij Newton wel. Hiermee drukten hij en zijn volgelingen een eigen stempel op de mechanica en op de inhoud van de 'mechanistische verklaring'.1 Met F = m.a (kracht is massa maal versnelling) formuleerde Newton geen empirische wet maar een methodologische regel. Immers, we nemen nooit bewegingen waar die vrij zijn van interferentie, inertie ('true inertial motion'). Newton definieert kracht in termen van versnelling.

"Newton, of course, was aware of this and was worried by it since he appreciated the metaphysical problems arising from his approach to the concepts of acceleration and force. He was particularly concerned about the attractive force between bodies at a distance for it seemed as though that force must operate across empty space. Critics, especially the followers of Descartes, accused Newton of reintroducing the occult powers which had so recently been discredited."
(Trusted, J. : Physics and Metaphysics : Theories of Space and Time, Routledge New York, 1991, p.97).

Kennen we verleden (de tijd gemeten op een genormeerde & geörienteerde Tas) positie (pt1) en impuls (vt1) van een lichaam x, dan kunnen we pt & vt bepalen. De initiële toestand ontplooit zich immers ex hypothesi volstrekt deterministisch, want de Natuur is een grote machine die op het ogenblik van haar schepping in gang werd gezet en vanaf dan volledig deterministisch beweegt.

De natuurverklaring moet geen beroep doen op een transcendente voldoende grond. Het universum is voor de mens een onpersoonlijke 'Gegenstand'. Object & subject, wereld & bewustzijn worden (uiteraard door bepaalde historische kensubjecten) als absoluut van elkaar gescheiden gedacht. Van een interactie tussen waarnemer & waargenomene is, zo dacht men, geen sprake. De mens is in staat het kenobject volledig te objectiveren. Dit betekende een radicale breuk met het Aristotelisch erfgoed. De kosmos en God werden gesplitst.

"'Kosmos' staat voor het samenstel dat bestaat uit hemel en aarde en de natuurlijke substanties die daar binnen omvat worden. Anderzijds wordt 'kosmos' ook gedefinieerd als de organisatie en ordening van de componenten van de werkelijkheid in hun geheel, in stand gehouden door God en door toedoen van God. Van die ordening is het middelpunt, dat onbeweeglijk is en standvastig, ten deel gevallen aan de levenschenkende aarde, die de thuisbasis en voedster is van levende wezens van allerlei soort."
(Aristoteles : Over de Kosmos, 391b9 391b14, vertaald door A.P.Bos, Moom Meppel Amsterdam, 1989, p.35)

De moderniteit scheidt kosmologie van theologie. De kosmos wordt een natuurlijk ding. De mechanica ervan wordt klokmatig, lineair & voorspelbaar. Kant brengt Newton in de filosofie. "Du point de vue qui nous intéresse l'essentiel est, que la critique kantienne a identifié l'objet scientifique en général à l'objet newtonien ; elle a aussi défini comme impossible une opposition au mécanisme qui ne soit pas opposition à la science elle-même...".2

De 'klassieke' experimentele methode bestudeert systemen om werkzame grootheden wiskundig te definiëren en hun interacties in vergelijkingen te gieten. Sommige vergelijkingen zijn echter niet oplosbaar. Het moderne denken concentreert zich op de oplosbare vergelijkingen.

Wat Newton verder brengt dan Galilei (1564 -1642), die voornamelijk het Aristotelische bewegingsconcept (de 'causa cessante effectus') herzag, is de axiomatisering van de mechanica en het ontstaan van de differentiaalrekening, die door met eenheden van oneindig kleine aangroei te werken de greep op beweging vanuit de wiskunde deed toenemen. Het begrip 'axioma' dient evenwel in een ruimere betekenis te worden geplaatst3, n.l. als een verzameling van evidente uitspraken, voorafgegaan door definities betreffende de in het axioma gehanteerde termen. Descartes zag materie als uitbreiding. Voor Newton is materie massa, d.w.z. de proportionaliteitsconstante (m) tussen uitgeoefende kracht (F) & verandering in versnelling (a).

De differentiaalrekening maakte het mogelijk dat bepaalde nietrechtlijnige bewegingen mathematisch vertaald konden worden in functies en afgeleide functies. De Cartesiaanse som-van-de-delenmethode wist Newton d.m.v. partiële differentialen te realiseren : subbewegingen konden eveneens wiskundig worden geformuleerd. De totale beweging was de som van alle onderliggende differentialen. Het deterministisch wereldbeeld bleef echter ideëel, want onoplosbaarheid maakte voorspelbaarheid feitelijk ongedaan. Veel processen bleven inadequaat wiskundig gekarakteriseerd. Het vooruitgangsgeloof was groot.

Natuurkrachten, in teleologische zin als 'cause finalis' (cfr. 'entelechie'), werden gereduceerd tot een niet nader gespecifieerde werkoorzaak F van een verandering a in de bewegingstoestand van een lichaam m. De 'causa finalis' werd als voorbijgestreefd & 'occult' van de hand gewezen. Ruimte, tijd, materie & kracht (gravitatie) vormden het 'quaternio' van de dynamica van Newton : de beweging van x vatten door de initiële voorwaarden in de bewegingsdifferentiaal in te vullen ..

Het succes van de Newtoniaanse axiomatisering in de natuurkunde, scheikunde, meteorologie, economie, biologie & geneeskunde van vele macroscopische entiteiten gaf aanleiding tot groot optimisme, dat voor sommigen onwerkelijk leek. Reeds vroeg haakten sommigen af.

Zo schreef Diderot :

"Un point vivant... Non je me trompe. Rien d'abord, puis un point vivant... A ce point vivant, il s'en applique un autre, encore un autre ; et par ces applications successives il résulte un être un, car je suis bien un, je n'en saurais douter (En visant cela, il se tâtait partout). Mais comment cette unité s'est-elle faite... Tenez, philosophe, je vois bien un agrégat, un tissu de petits êtres sensibles, mais un animal... un tout... ayant la conscience de son unité. Je ne le vois pas, non je ne le vois pas."4

De stemmen die de onmacht van het mechanisme van Newton m.b.t. onze kennis over de organische vervlochtenheid van het leven én het zelfbewuste in de wereld (als 'être conscient') beklemtoonden, schreeuwden maar werden niet gehoord. De gravitatiewet was theoretisch elegant en functioneerde in de dagelijkse ervaring dus de Newtoniaanse fysica was compleet. Het empirisch onderzoek zou dit althans zo vlug mogelijk bevestigen ...

Via het model van Newton kon de fysica eindelijk een quasi 'goddelijke blik' op de Natuur werpen. "La science, selon Kant, ne dialogue pas avec la nature, mais lui impose son langage...".5

Vijftig jaar later kan Laplace (1749 -1827) met fierheid in zijn Mécanique Céleste schrijven dat alle natuurverschijnselen moesten teruggevoerd worden op onderlinge op-afstand-werkingen van stoffelijke punten, en dit volgens het prototype van de gravitatiekracht.

Deze werkingen of krachten verbinden twee materiële punten volgens hun radiusvector (verbindingslijn) en hangen enkel af van de afstand tussen beide. Deze formulering, die duidelijk naar F = g.m1.m2/r² verwijst, ligt aan de basis van de verdere ontwikkeling van de klassieke fysica nà Newton. Deze uitbreiding verliep snel.

De fysiologische psychologie en het hersenfysiologisch onderzoek (Broca) dat in het midden van de 19de eeuw aanving (Weber, Müller, Helmholtz) predikten ook op het vlak van de psychische processen een determinisme. Cartesius' 'res cogitans' werd naar het 'res extensa' gereduceerd. Hieraan koppelde zich een verregaand ontologisch materialisme dat de 'substantia cogitans' epifenomenalistisch duidde. De hersenen scheiden gedachten af zoals de nieren urine. Meer is er niet. Deze psychologie wenste even nauwkeurige (kwantificeerbare) wetten en verbanden. Zo schreef Helmholtz dat de "fenomenen van de natuur teruggebracht moeten worden tot bewegingen van materiële punten die enkel afhangen van hun ruimtelijke toestand."6 De fysisch-chemische werking van het levend wezen diende onderworpen te worden aan dezelfde wetten als de anorganische materie.

Dit betekende hoegenaamd niet dat een 'vitale kracht' uitgesloten werd (bijvoorbeeld Driesch' notie van de 'entelechie'). Daar deze kracht als causaal onwerkzaam gedacht werd, kon zij geen object van wetenschappelijke studie worden. Dé wetenschap was causalistisch. Reden waarom Freud zijn in wezen metapsychologische psychoanalyse als een psychische fysiologie aan de man bracht.

De posthegeliaanse natuurfilosofie poogde (als antithese van deze materialistische fysica) tevergeefs aan te tonen dat de mogelijkheden van een mathematica van fysische gedragingen beperkt bleven tot triviale bewegingen (kan ze met méér dan het spatiotemporele rekening houden ?). Ook Leibniz had dit reeds beweerd. De antinewtoniaanse reactie werd door de technologische successen van Newtons mechanica overschaduwd tot zij uitermate snel vergeten werden.7

Tekenend voor het Newtoniaans paradigma is de houding die aangenomen werd t.a.v. een paar fundamentele & zeer interessante 19de-eeuwse misinterpretaties en verdringingen aangaande de gravitatiewet en het causaal karakter van de mechanica.

§ 164

Newton schreef : "Ik ben niet in staat geweest om de oorzaak van deze eigenschappen van de zwaartekracht te ontdekken aan de hand van verschijnselen en ik stel geen hypotheses op ... het is voldoende dat de zwaartekracht werkelijk bestaat en dat zij zich gedraagt volgens de wetten die wij hebben verklaard, en dat zij rijkelijk dient om alle bewegingen van de hemellichamen te verklaren."8 D.i. de 'actio-in-distans', heden 'non-locality' genoemd.

"That one body may act upon another at a distance through a vacuum without the mediation of anything else ... is to me so great an absurdity that I believe no man, who has in philosophical matters a competent faculty for thinking, can even fall into it"9, schrijft Newton in een brief aan Richard Bentley. M.a.w. hoe plant de gravitatiekracht zich voort ? Is actieopafstand mogelijk ? Zoals zal blijken speelt een analoog probleem nog vandaag : is het mogelijk dat signalen sneller gaan dan het licht ? De actie van de gravitatiekracht kon wel beschreven maar niet verklaard, behalve wanneer er bijvoorbeeld aangenomen werd dat de materie onuitgebreid is en contact onmogelijk is (zoals in het werk van R.Boscovich (1711 -1787), diens Theoria Philosophiae Naturalis).10

Een tweede blinde vlek in het Newtoniaanse denksysteem houdt verband met het statuut van de causaliteit, de interpretatie ervan op filosofisch niveau en de formele implicaties van de eerste bewegingswet en de gravitatiewet voor het Newtoniaanse causalisme.

§ 165

Het koppel 'oorzaak & gevolg' dient verfijnd, wil men de causale functie via differentialen kunnen formaliseren. Newton spreekt van 'initial state'. Deze initiële toestand op tijdstip t0 kan enkel bepaald worden indien positie p0 en impuls v0 (combinatie van grootte, snelheid en richting van lichaam x) gekend zijn. Indien we het continu verloop van systeem x (dat verschillende toestanden A, B ... beschrijft) door een continue lijn voorstellen, dan staan de verschillende p1, p2 ... punten op de curve voor verschillende toestanden A, B ... We veronderstellen dat de betrokken toestanden elkaar vlug opvolgen.

"To this picture we apply the doctrine of causality, which asserts that the initial point, or state, A determines all the other. But, as Newton observed, we may also say that the initial state A determines the contiguous state B ; and that this state B, viewed as a new initial state, determines the next state C ; and so on."11

We bemerken dat de overgang van initiële naar toekomstige toestand volmaakt deterministisch gedacht wordt. Dit determinisme stelt :

"That all physical processes boil down to changes of position determined by both the previous state of motion and externally impressed forces, the paths of the point masses concerned being precisely defined (fully determined) trajectories in spacetime."12

Ten onrechte denkt men dat deze bewegingsen gravitatiewetten causalistisch zijn ! Dit bewijst dat men zich niet heeft kunnen loswerken uit een scholastische visie op materie, kracht & causaliteit, samengebracht in het adagium : 'omne quod movetur ab alio movetur'.

"Consider the motion of a billiard ball (or, rather, of its center of mass) during a time interval short enough to permit us to neglect the effects of friction. At an arbitrary initial time the ball moves with velocity v0 and is struck with a billiard cue, thereby acquiring a new momentum m.v, 'm' being the mass of the ball. The total change in momentum will then be m.v -m.v0 = F. delta-t, where 'F' denotes the intensity of the cause (that is, the force) that produces the change in velocity v -v0 and 'delta-t' designates the time interval during which the cause has acted. In other words, the cause F, acting during the small time interval delta-t, has produced a change in momentum delta(m.v) = m.v -m.v0. After the cause F has ceased acting, the ball continues changing its position (relative to the billiard table) in accordance with the law d(mv)/dt = 0, which holds to the extent to which friction forces can be neglected ; from this law we deduce (by integration) that the change in position proceeds in accordance with the formula x = v.t + x0, 'x0' being the initial position and 'v' the velocity acquired by the ball as a consequence of the collision. Thus, the force has produced only the first change ; the succeeding positions, after the time delta-t has elapsed where not acquired by the ball as a consequence of new blows with the cue, nor as a consequence of air vortrices behind the ball (as an Aristotelian would think) ; they were the result of previous states in the absence of causes. Moreover, the sole causes acting after the blow with the cue were retarding and not accelerating forces, namely those of friction."13

Analoog kan van de gravitatiewet niet gezegd worden dat het een causale wet is, daar het verband op interactie steunt, en niet op een zich in de chronologische volgorde ontplooiende (eenzijdige) beïnvloeding, d.w.z. van A naar B, C, D ... zonder feedback van B naar A, D naar C ...

"It is general meaningless to assert either that the mass m1 is the cause of the acceleration of m2, or vice versa. Every change produced by m1 or m2 reacts back on m1, the consecutive action of which will consequently differ from what it was previously ; gravitational attraction is a mutual change, not an unidirectional change."14

Determineerbaarheid (bepalen van wetmatige verbanden) is een betere maatstaf dan causaliteit. Er bestaan systemen & processen die nietcausalistisch maar wel wetmatig zijn.

'Determinering' wordt door Bunge in Causality and Modern Science in een achttal categorieën onderverdeeld :

(1) kwantitatieve zelfdeterminering :
De consequentie wordt gedetermineerd door de antecedent zoals in de opeenvolgende posities van een zich vrij bewegend macroscopisch lichaam, gedetermineerd door positie & moment op een gegeven tijdstip.

(2) causale (efficiënte) determinering :
Het effect wordt door de externe oorzaak gedetermineerd zoals een kogel afgevuurd tegen een glas, dat breekt.

(3) interactie (functionele interdependentie) :
De consequentie wordt gedetermineerd door 'mutual action', zoals de gravitatie tussen twee lichamen.

(4) mechanische determinering :
De consequentie wordt gedetermineerd door de antecedent zoals krachten die de bewegingstoestand van lichamen veranderen.

(5) statistische determinering :
Het eindresultaat wordt gedetermineerd door de gezamelijke actie van onafhankelijke of quasi-onafhankelijke entiteiten.

(6) holistische (structurele) determinering :
De delen worden gedetermineerd door het geheel zoals de beweging van één molecule bepaald wordt door de structuur van de gehele verzameling waartoe het behoort.

(7) teleologische determinering :
De middelen worden gedetermineerd door de doelen, zoals vogels hun nesten bouwen teneinde kun kroost te beschermen.

(8) dialectische (kwalitatieve) determinering :
Het geheel wordt gedetermineerd door de innerlijke 'strife' en de eventueel daaropvolgende synthese van essentiële opposerende componenten.

"The Newtonian law of gravity is usually regarded as an illustration of causality and even as the paradigm of causality. However, the connection between two gravitating masses is typically non-causal, for it consists in an interaction, not in a onesided action. In other words, Newton's law of universal attraction F = g m1.m2/r² is not a causal law ..."
(Bunge, M. : Causality and Modern Science, Dover New York, 1979, p.150)

§ 166

In de wiskunde ontwikkelden Lobachevski (1792 -1856), Bolyai (1802 -1860) & Riemann (1826 -1866) zogenaamde 'niet-Euclidische' meetkunden, d.w.z. modellen die het 5de parallellenpostulaat van Euclides (dat men had willen afleiden uit de overige axiomata totdat men besefte dat het daarvan onafhankelijk was) op een nieuwe wijze gebruikten.

Riemann bracht de verschillende geometrieën samen via een krommingscoëfficiënt. De positief gekromde ruimte (door Riemann beschreven) gaat uit van een afwezigheid van parallellen (som van de hoeken van de driehoek is groter dan 180°) en wordt door een elliptische geometrie gekenmerkt (vandaar elliptische ruimte), de negatief gekromde poneert een oneindig aantal parallellen (som kleiner dan 180°) en vertoont een hyperbolische geometrie (vandaar hyperbolische of Lobachevskiaanse ruimte), terwijl de traditionele Euclidische structuur een nulkromming kreeg en een grensgeval werd. De kromming werd regel en de rechte uitzondering.

Waarom langer vasthouden aan de Euclidische structuur van de realiteit-voor-ons ?

"Het noodzakelijk karakter van de Euclidische meetkunde bleek een illusie, en daarmee ook het noodzakelijk karakter van de Euclidische structuur van de fysische ruimte"15. Karl Frederick Gauss (1777 -1855) trachtte het probleem van de structuur van de fysische ruimte op een empirische wijze te beslechten toen hij de toppunten van drie bergen (Brocken, Höher-Hagen de Insle berg) met elkaar verbond en vaststelde dat de vraag naar de som van de hoeken gevormd door deze 'natuurlijke driehoek' niet ondubbelzinnig beantwoord kon worden.

Honderd jaar later schrijven moderne kosmologen : "While our present obervations seem to favour an oscillating model for our universe, another line of argumentation leads to the opposite conclusion, that our universe is expanding with an infinite flat Euclidian or curved hyperbolic space"16.

Verwijst deze antinomie naar het conventionalisme ?

Poincaré (1854 -1912) schreef : "Les axiomes géométriques ne sont donc ni des jugements synthétiques a priori, ni des faits expérimentaux. Ce sont des conventions ; notre choix, parmi toutes les conventions possibles, est guidé par des faits expérimentaux; mais il reste libre et n'est limité que par la nécessité d'éviter toute contradiction... Une géométrie ne peut pas être plus vraie qu'une autre ; elle peut seulement être plus commode."17

Einstein (1879 -1955) koos (?) voor zijn algemene relativiteitstheorie een Riemanniaanse ruimte, maar zoals Roxburgh aantoont, kan louter via een logico-mathematische manipulatie de formele structuur Euclidisch begrepen worden. Dit maakt de ruimte wederom een Euclidisch vlak. Ook hier is een polarisatie van de antinomie realisme-idealisme werkzaam (cfr. Deel I, hoofdstuk 2). Een realist als Einstein is overtuigd van een werkelijk bestaande (en objectiveerbare) geometrische structuur : de fysische ruimte is óf Euclidisch óf hyperbolisch óf elliptisch. Deze disjuncties zijn definitief en het empirisch onderzoek kan beslechtend optreden. Wiskundigen zoals Poincaré en Roxburgh tonen echter aan dat deze formele kaders omwisselbaar zijn, d.w.z. hanteert men model A in plaats van B, dan veranderen er wel enkele parameters (in de transformaties van Roxburgh zal een deeltje een kromme i.p.v. een rechte beschrijven), maar deze wijzigingen zijn van logico-mathematische aard en "there is no empirical way of choosing between these alternatives."18

§ 167

De relativiteitstheorie was o.m. een theoretisch antwoord op de bezwaren geopperd door het befaamde Michelson-Morleyexperiment. In dit experiment kwamen twee problemen samen : het probleem van de absolute afwezigheid van beweging en de constante lichtsnelheid.

De klassieke natuurkunde vóór Newton had reeds een relativiteitsprincipe geformuleerd. Galilei werkte een relativiteitsbeginsel uit dat de afhankelijkheid van een beweging van haar referentiekader aangeeft. Hij voegde daaraan toe dat de wetten van de mechanica even geldig blijven in referentiesystemen (coördinatiestelsels) die t.o.v. elkaar in gelijke tijd gelijke afstanden afleggen (d.w.z. éénparig bewegen).

Galilei dacht ook dat we ergens een statisch basisreferentiesysteem konden lokaliseren. Daarin gaan de wetten van de mechanica volledig op, d.w.z. de plaats van een lichaam kan in zo'n inert referentiesysteem absoluut bepaald worden. Een referentiesysteem dat zich éénparig t.o.v. een inert referentiesysteem voortbeweegt is eveneens een inert referentiesysteem. Op basis van mechanische experimenten kan men deze systemen niet van elkaar onderscheiden, daar de wetten in beide systemen even geldig zijn. De overgang van het ene inert referentieel assenkruis (x1, y1, z1) naar het andere (x2, y2, z2) wordt een 'Galileitransformatie' genoemd. Deze transformaties houden verband met bepaalde additieve (en subtractieve) kenmerken van éénparige bewegingen.

Een voorbeeld.

Veronderstel dat we vanaf de wal naar een schip kijken dat met een snelheid van 45 km/u langs vaart. Het schip is een referentiesysteem dat ten opzichte van ons éénparig beweegt. Op het dek staat een man bij de reling. Hij staat stil, dus zijn bewegingssnelheid is ook 45km/u (vanuit zijn standpunt verwijderen wij van hem). De man stapt met een snelheid van 5 km/u naar de boeg. Zijn bewegingssnelheid t.o.v. ons is nu 50 km/u (45 km/u van het schip + 5 km/u van zijn eigen bewegingssnelheid).

Loopt hij daarentegen met een snelheid van 5 km/u naar de achtersteven, dan is zijn bewegingssnelheid slechts 40 km/u.

Vanaf hun geboorte hebben de wetten van de klassieke mechanica geen onderdak gekregen, want ook de aarde is geen inert referentiesysteem. M.a.w. een absolute afwezigheid van beweging is uitgesloten, want er kan geen (inert) referentiesysteem gevonden worden waarin de wetten van de klassieke mechanica op een volmaakte wijze opgingen.

De hele structuur van de klassieke mechanica (ook bij Newton) stoelde op de apriorieis dat er ergens een referentiesysteem moest zijn dat absoluut in rust is.

Onafgezien van de snelheid van de waarnemer beweegt het licht zich steeds met dezelfde snelheid voort. Een lamp die stilstaat en waar wij ons van verwijderen met een snelheid van 100.000 km/s zal fotonen uitstralen die zich met een snelheid van 300.000 km/s voortbewegen en niet 200.000 km/s zoals de klassieke mechanica voorspelt. Het licht is zo een fysisch limietfenomeen geworden. Het onderzoek van de nominale, externe, expliciete wetmatigheden inzake ruimte, tijd, materie & energie botst op onoverkoombare grenzen, zowel formeel als inhoudelijk.

Beide problemen kwamen samen in het experiment dat in 1887 door de Amerikanen Albert Michelson en Edward Morley uitgevoerd werd. Het experiment diende aanvankelijk de theorie van de ether empirisch te toetsen, maar de consequenties voerden verder dan oorspronkelijk de bedoeling was geweest. Volgens de theorie van de ether ligt de kosmos gebed in en is doortrokken van een onzichtbare, smaakloze, kleurloze substantie zonder eigenschappen, een 'medium' voor de beweging der lichtgolven. Want als licht zich in de vorm van golven voortplantte, dan moest er iets golven. Dat was de ether. De etherzee is overal. Alhoewel wij bewegen in de etherzee, beweegt de etherzee zelf niet. Het experiment van Michelson& Morley schudde de ethertheorie door elkaar. Indien de aarde beweegt en de etherzee in rust is, dan moet de beweging van de aarde door de etherzee een etherbries veroorzaken. Daarom zal een lichtbundel die tegen de etherbries ingaat een lagere snelheid hebben dan een lichtbundel die dwars op de etherbries wordt uitgestraald. Om dit te testen ontwierpen zij de interferometer, die zo ontworpen was dat het interferentiepatroon dat de twee lichtbundels (die haaks op elkaar staan) veroorzaken wanneer zij op een gemeenschappelijk punt terugkeerden, gemeten kon worden. De lichtbundels vertoonden niet het geringste verschil in snelheid (zij kwamen op hetzelfde ogenblik aan), zodat de invloed van de etherwind en (mutatis mutandis) het etherconcept niet experimenteel kon aangetoond worden. De disjuncties waren : ofwel bewoog de Aarde niet, en de theorie van Copernicus was verkeerd, ofwel bestond de ether niet. Gold dit laatste, dan had de klassieke mechanica geen onderdak meer, daar de absolute afwezigheid van beweging geen ontologisch statuut meer had. Verder wees het experiment in de richting van een constante lichtsnelheid. Licht kreeg in de fysica als limietverschijnsel een exclusief statuut.

In 1892 formuleerde de Ier George Francis Fitzgerald een gewaagde verklaring. De druk van de etherwind, zo stelde hij, drukt materie samen, zoals een plastisch voorwerp dat door het water beweegt afgeknot wordt in de richting van de beweging. De poot van de interferometer die pal op de etherwind staat zou iets korter zijn dan de poot die er haaks op staat. Daarom zal een verandering in de snelheid van het licht dat tegen de etherwind in straalt en terug, niet ontdekt worden, daar de afstand die het licht moet afleggen ook verkort is. Als de mate waarin de poot van de interferometer (die pal op de wind staat) verkort wordt precies gelijk is aan de mate waarmee de snelheid van het licht (dat via die poot straalt) vermindert, dan zullen de beide lichtbundels het meetinstrument op exact hetzelfde ogenblik bereiken !

"As far as these latenineteenth century scientists were concerned, there had to be an ether ('We know that there is an ether'). The existence of the ether was not a metaphysical presupposition but a direct consequence of an empirical theory, the wave theory of light. If there were no ether there would be no way of explaining the transmission of light rays ; the nature of light would have to be fundamentally reassessed."
(Trusted, J. : Op.cit., p.157)

Het Michelson-Morleyexperiment had de afstand constant beschouwd en toonde aan dat de lichtbundels (recht op de etherwind of haaks erop) beide op hetzelfde ogenblik het meetinstrument bereiken, zodat er werd geconcludeerd dat de snelheid van het licht in beide gevallen gelijk is, wat de etherwind ontkrachtte.

Door de hypothese van Fitzgerald kon de etherwind blijven bestaan zonder dat het experiment het etherconcept ooit feitelijk zou kunnen falsifiëren. Een jaar later kwam de Nederlander Hendrik Antoon Lorenz (1853 -1928) onafhankelijk van Fitzgerald tot dezelfde hypothese, die hij strak mathematisch formaliseerde. De Fitzgerald-Lorenzcontractie werden bekend als de Lorenztransformaties. Zij spelen hun rol in Einsteins relativiteitstheorie.

" ... Lorenz developed new transformation equations, superseding those of Galileo. In order to achieve transformations that would keep his electromagnetic laws the same in different frames of reference he found that he had to make certain mathematical adjustments to the algebraic variables denoting time and distance. In 1895