home page of sofiatopia.org search the entire website of sofiatopia.org all books and articles of the equiaeon-system* siteplan of the website of sofiatopia.org home page of alephnil.org sitemenu of the website of sofiatopia.org

Prolegomena

de spelregels
van het "ware" kennen


een vooroefening
waarin de normatieve kenleer
op een strikt nominalistische wijze
de mogelijkheid & de groei
van het verstand alsook
de demarcaties
eigen aan de rede
vastlegt

©  Wim van den Dungen
Antwerp, 1994 - 2008.

English Table of Contents


This text, a preliminary exercise, frees the way for a thorough nominalistic study of the so-called "problem of knowledge" (cf. theoretical & practical epistemology). Moreover, the study of modernism led to a confrontation with relativity, quantum & chaos. See Knowledge (1995). These epistemological studies prepared and organised my scientific study of mystical experience (called "mysticology"). Also read the texts on Flemish mysticism (1994) & Dionysian theology (1996).


PROLEGOMENA

Opgedragen aan Erik Oger.
Ter nagedachtenis van
Karl Popper & Paul Feyerabend.

"2. Dass es mir -oder Allen- so scheint, daraus folgt nicht, dass es so ist.
Wohl aber lässt sich fragen, ob man dies sinnvoll bezweifeln kann.
115. Wer an allem zweifeln wollte, der würde auch nicht bis zum Zweifel kommen.
Das spiel des Zweifelns selbst setzt schon die Gewissheit voraus."

Ludwig Wittgenstein : Über Gewissheit, 1949 - 1951.


Inhoudsopgave

Woord Vooraf

Inleiding

Hoofdstuk 1 : De onoverkoombaarheid van de kennisnormen.

Spelregels 1

Hoofdstuk 2 : Het object van kennis & correspondentie.

2.1. Situering van het gekende.
2.2. Van funderingsdenken naar conventionalisme.

2.2.1. Het rationalistisch justificationisme.
2.2.2. Het intuïtionistisch justificationisme.
2.2.3. Het empirisch justificationisme.
2.3.4. Het falsificationisme.

2.3.4.1. Dogmatisch falsificationisme.
2.3.4.2. Methodologisch falsificationisme.
2.3.4.3. Verfijnd falsificationisme.

2.3. De correspondentietheorie bij Popper.
2.4. De onoverkoombaarheid van het kenobject.

Spelregels 2

Hoofdstuk 3 : Het subject van kennis & consensus.

3.1. Situering van de kenner.
3.2. De theoretische, structuuraanbrengende connotatie.
3.3. De theoretische connotatie en het kenobject.
3.4. De consensustheorie bij Habermas.

3.5. De onoverkoombaarheid van het kensubject.

Spelregels 3

Hoofdstuk 4 : De transcendentale illusie.

Spelregels 4

Hoofdstuk 5 : Reële & ideële waarheidsregulatie.

5.1. De trichotomie theorie, feit & realiteit.

5.1.1. De correspondentietheorie van de waarheid.
5.1.2. De consensustheorie van de waarheid.

5.2. De trichotomie 'mijn', 'onze' & 'de' consensus omnium.

5.2.1. De taal.
5.2.2. De argumentatie.

Spelregels 5

Hoofdstuk 6 : Een relativistische methodologie ?

6.1. Naar een kritisch gnosticisme ?
6.2. De monologische, objectgerichte en de dialogale, subjectgerichte regulatie van de waarheid.
6.3. Een mogelijke samenhang tussen toets & taal.
6.4. Samenvatting.

Spelregels 6

Hoofdstuk 7 : Metafysica en heuristiek.

7.1. Een dubbele demarcatie.
7.2. De plastische demarcaties.
7.3. Rol van de metafysica.

Spelregels 7

Hoofdstuk 8 : De subdomeinen van de demarcaties.

Spelregels 8

Hoofdstuk 9 : 'Rationaliteit' kentheoretisch begrepen.

9.1. De theoretische vorm.

9.1.1. Het symmetriebeginsel.
9.1.2. Taal en argument.

9.1.2.1. Hoe de term 'inconsistent' definiëren ?
9.1.2.2. Welke beoordelingsnormen hanteren ?
9.1.2.3. Paradoxale theorieën soms zinvol ?

9.2. De praktische vorm.
9.3. Enkele aantekeningen in de marge van de radicaal postmoderne visie op rationaliteit.

Spelregels 9

Hoofdstuk 10 : De spelregels van het "ware" kennen.

Noten
Bibliografie


Table of Contents

Foreword

Introduction

Chapter 1 : The insurmountability of the norms of knowledge.

Rules of the Game of Knowledge I

Chapter 2 : The object of knowledge & correspondence.

2.1. Situating the known.
2.2. From foundational thinking to conventionalism.

2.2.1. Rationalistic justificationism.
2.2.2. Intuitionistic justificationism.
2.2.3. Empirical justificationism.
2.3.4. Falsificationism.

2.3.4.1. Dogmatic falsificationism.
2.3.4.2. Methodological falsificationism.
2.3.4.3. Refined falsificationism.

2.3. Popper's correspondence theory of truth.
2.4. The unsurmountability of the object of knowledge.

Rules of the Game of Knowledge II

Chapter 3 : The subject of knowledge & consensus.

3.1. Situating the knower.
3.2. The theoretical, structuralizing connotation.
3.3. Theoretical connotation and the object of knowledge.
3.4. Habermas' consensus theory of truth.

3.5. The unsurmountability of the subject of knowledge.

Rules of the Game of Knowledge III

Chapter 4 : The transcendental illusion.

Rules of the Game of Knowledge IV

Chapter 5 : The real & ideal regulations of truth.

5.1. The triad of theory, fact & reality.

5.1.1. The correspondence theory of truth.
5.1.2. The consensus theory of truth.

5.2. The triad of 'mine', 'ours' and 'the' consensus omnium.

5.2.1. Language.
5.2.2. Argumentation.

Rules of the Game of Knowledge V

Chapter 6 : A relativistic methodology ?

6.1. Towards a critical gnosticism ?
6.2. The monological, object-oriented & the dialogal, subject-oriented regulation of truth.
6.3. A possible connection between experimentation & language.
6.4. Summary.

Rules of the Game of Knowledge VI

Chapter 7 : Metaphysics & heuristics.

7.1. A double demarcation.
7.2. Elastic demarcations.
7.3. The role of metaphysics.

Rules of the Game of Knowledge VII

Chapter 8 : The subregions of the demarcations.

Rules of the Game of Knowledge VIII

Chapter 9 : The epistemology of 'rationality'.

9.1. The theoretical form.

9.1.1. The principle of symmetry.
9.1.2. Language and argumentation.

9.1.2.1. How to define the term 'inconsistent' ?
9.1.2.2. Which norms of arbitration to use ?
9.1.2.3. Are paradoxical theories sometimes of any use ?

9.2. The practical form.
9.3. Some remarks in the margin of the radical postmodern vision on rationality.

Rules of the Game of Knowledge IX

Chapter 10 : The Rules of the Game of "true" knowledge.

Notes
Bibliography


Woord vooraf

Als we de invloed van de ontwikkeling van de dienstensector in de zogenaamde late kapitalistische industriële sociale formaties (Frederic Jameson, Daniël Bell) & de daarmee samenhangende explosie van de informatie-maatschappij op de wijsbegeerte willen inschatten, dan stoten we onvermijdelijk op de notie 'postmodernisme'. Deze term is afkomstig uit de literatuurgeschiedenis, en geldt aldaar als verzamelnaam voor een reeks heterogene fenomenen die gemeen hebben dat ze een reactie zijn tegen het 'modernisme' van de jaren voor de tweede wereldoorlog. Het was Lyotard die het begrip in La Condition Postmoderne (1979) in het filosofisch jargon introduceerde.

Het 'modernisme' wordt verantwoordelijk gesteld voor de kleurloze & troosteloze uniformisering van de 'leefwereld'. Zoals van den Berg aangaf, is de nieuwe 'geesteszieke' iemand die gebukt gaat onder de druk van de 'wet van de gelijkheid'. Eenzaamheid is volgens hem het eerste symptoom van de hedendaagse neurose (Wat is Psychotherapie ?, 1970). De hysterie van Anna O wordt vervangen "door een mild, haast vriendelijk soort ongeluk" (p.38). Het ontbreekt de nieuwe zieke aan eenvoudige blijdschap (postmoderne leegte). Verantwoordelijk hiervoor zijn de 'moderne' homogenisering, de standaardisering en de onderwerping aan wetenschappelijke, technologische & economische formele logica's. Het ideaal van Mondriaan leidde niet tot een betere mens, integendeel. Het modernisme verschraalde de mens & reduceerde zijn creativiteit. Het zocht naar 'de' mens in de mens & onteerde het eigene.

Deze analyse kan grondig bekritiseerd worden. Het is immers zo dat de Verlichtingsfilosofen niet in de eerste plaats naar een rationele 'fundering' zochten maar naar een praktische consensus die tegenstrijdige belangen kon verzoenen. Dat achter de retoriek van de 'verlichte rede' een uiterst sceptische houding tegenover de mogelijkheden van het menselijk kenvermogen schuil ging, kunnen we o.m. bij Kant aantreffen (diens kritiek op een constitutief gebruik van de Ideeën van de Rede). Ook Voltaires strijdschriften tonen aan dat een ideële 'rationele' moraal niet op de eerste plaats stond. Ook Hegel (in zijn Phänomenologie des Geistes) beschrijft een heleboel subjectieve morele attitudes die op het probleem hoe men particuliere rechten & aspiraties kan verbinden met een algemene ordening van de sociale formatie anticiperen. Hoe is samenleven in een postconventionele (postfeodaalmonarchische) context mogelijk ? Hegel heeft het hier zonder meer over. Ondanks deze bezorgdheid, bestempelt Lyotard Hegels filosofie als een 'groot verhaal' ... Daarin zou het particuliere verdwijnen ...

Het is gemakkelijk een ongenuanceerde karikatuur van het modernisme aan te vallen. Een belangrijke vraag in dat verband is : wat verstaan we onder 'modernisme' ? Het filosofisch modernisme betreft steeds 'grote verhalen' over de mogelijkheid om de mens te boetseren (de Platoonse 'Bildung') aan de hand van analytische & synthetische basisbeginselen. Dit in tegenstelling tot een leven dat bepaald wordt door onbestuurde & onbestuurbare toevallige & chaotische irrationaliteiten. Het postmodernisme is dan minimaal een kritiek op deze Bildungsgedachte, maximaal een radicale prijsgave van dat modern ideaal. In dit laatste geval impliceert communicatie het gebruik van lokale codes die de emancipatorische verhalen eroderen (want 'anything goes'). Is het zo dat het irrationeel & willekeurig spel minder slachtoffers maakt dan de uitwassen van de zogenaamde rationele ordeningsverhalen ? M.i. is dit niet zo.

Gegeven dat we het filosofisch modernisme samenvatten met de term 'rationele emancipatie' (zodat het postmodernisme met een lokale & eventueel irrationele 'realiteit-voor-mij' samenhangt), dan en slechts dan vatten we waarom deze filosofische stroming nog vrij jong is. Is het postmodern tijdperk trouwens al aangebroken ?

De jaren '50 waren immers gericht op een 'moderne' economische reconstructie waarbij de normen, waarden & verwachtingen van het VSA-kapitalisme globaal verspreid werden (in de Sovjetunie en de Chinese Volksrepubliek gold een antikapitalistische & collectivistische 'Bildung'). De 'golden sixties' bevestigden het modern vooruitgangsgeloof. Vanaf mei '68 tot het begin van de economische crisis (veroorzaakt door een overmatige afhankelijkheid van één energiebron) grijpt een belangrijke kentering plaats. Toch zal de nieuwe crisisrationaliteit de revolutionaire trekken van de ontevreden jeugd in de jaren '70 kunnen recupereren. Ook in de architectuur blijven moderne maatstaven werkzaam.

Vanaf de jaren '80 zien we een duidelijke koerswending. De afvlakking van de moderne rationaliteit (die nu door een fundamentele onzekerheid aangetast wordt) gaat gepaard met de profilatie van allerlei vormen van irrationeel gedrag (in kunst, wetenschap, economie, politiek & godsdienst). Dit ondanks reactionaire recuperatiepogingen. Ook de (gestuurde ?) toename van het gebruik van verdovende middelen spreekt in die zin. Het feit dat de jeugd aangetrokken wordt door modellen waarin het irrationele & metarationele aan bod komen, wijst erop dat het postmodernisme zowel het instinct als de intuïtie wenst aan te spreken. De slogan ? Het hoofd boven de hemel & de voeten onder de hel ... Op deze wijze verder gaan dan 'goed' & 'kwaad', d.i. een standpunt eraan voorbij.

Men mag stellen dat het postmodernisme één van de sterkste filosofische stromingen van de jaren '80 & '90 is & nog zal worden. Ik pleit voor een gematigde postmoderne theorie die instrumenten aanbiedt & die zichzelf ontkracht.

Het is niet onjuist te stellen dat de postmoderne kritiek zich vooral tegen de moderne funderingspogingen richt. De kenleer speelt daarin een uitermate belangrijke rol. Immers, alles draait toch rond het statuut van onze kennis en de vraag welke kennis 'ware' kennis is ? Ook de distincties tussen rationaliteit, irrationaliteit & metarationaliteit spelen hierbij een belangrijke rol. Bijgevolg is een postmoderne kenleer een noodzaak. In een dergelijke kenleer wordt enerzijds radicaal gebroken met elke funderingspoging van de kennis terwijl (en dit zullen radicale postmodernen zeker als een 'rest van modernisme' zien) er anderzijds gezocht wordt naar een normatief grondsysteem van oorspronkelijke termen dat niet kan weerlegd worden omdat er bij elke weerlegging van wordt gebruik gemaakt.

Op deze wijze poog ik de disjunctie tussen of rationeel modernisme of irrationeel postmodernisme ongedaan te maken. Een derde standpunt is mogelijk. De bedoeling is een kenleer te ontwikkelen waarin metarationaliteit & irrationaliteit een rol spelen samen met rationaliteit. Deze cohabitatie van tegenstellingen impliceert dat de formele consistentie-eis vervangen wordt door een coherentie-eis & dat de nefaste invloed van zowel onredelijkheid als intuïtieve zekerheid gereduceerd wordt door het invoeren van efficiëntie-overwegingen. Zo'n kenleer heet 'postmodern', niet omdat er gebroken wordt met het redelijk ideaal (hoe dit uitspreken zonder een tegenspraak 'in actu exercito' ?) maar omdat er naar de operationele relaties tussen rationaliteit, metarationaliteit & irrationaliteit gezocht wordt.

De postmoderne afwijzing van ideële 'grote verhalen' (die verantwoordelijk gesteld worden voor menselijke schandalen als de brandstapels & de concentratiekampen) heeft haar wortels in het epistemologisch scepticisme & het nihilisme. De funderingspoging mislukt omdat elke premisse opnieuw gefundeerd moet worden ... een kennisondermijnende 'regressus ad infinitum' ontstaat. De realiteit-zoals-ze-is is voor de radicale postmodernen een zinsbegoocheling, een illusie die met Nietzsche, Heidegger, Foucault, Bataille & Derrida ontmaskerd is en rustig begraven mag worden.

Allereerst wat de funderingsproblematiek betreft. De radicale postmodernen zijn blijkbaar weinig getraind in het praktisch gebruik van logische subtiliteiten (toegepaste kenleer). Het is immers zo dat de mogelijkheid van 'ware' kennis kan worden gedacht zonder dat hiervoor een fundering moet worden gevonden (hetzij in 'sense-data', hetzij in heldere & onderscheiden redeneringen, hetzij in apodictische intuïties die op de 'intellectuele aanschouwing' -Kant- of de 'Wesenschau' -Husserl- volgen). M.a.w. zij beseffen niet dat er onvervreemdbare epistemologische, esthetische & ethische spelregels bestaan. Deze zijn normatief want we kunnen ze niet uit het kenproces verbannen zonder er gebruik van te maken. Het zijn spelregels die we 'altijd al' hebben gebruikt en die ik, door me reflexief over het kenproces heen te buigen, als onderscheiden regels kan onderkennen. Deze spelregels van het 'ware' kennen heten 'transcendentaal', m.a.w. vormen samen een niet te verantwoorden systeem van grondtermen dat de mogelijkheidsvoorwaarden van de kennis aangeeft waardoor 'de juris' de objectiviteit van de mogelijkheid van kennis komt vast te staan. Deze grondeloze grondslag is geen fundament ; het is een onweerlegbare noodzaak waardoor het radicaal scepticisme wordt overwonnen.

Ten tweede. Het is merkwaardig dat we -gegeven het normatief grondsysteem- niet in staat zijn verstandelijk te weten te komen hoe de realiteit-zoals-ze-is eruit ziet. Dat we ze als kenbaar moeten denken zal in deze tekst uitvoerig aan bod komen. We moeten de realiteit-zoals-ze-is als kenbaar denken zonder ooit genoeg uitgerust te kunnen zijn om ze direct zoals-ze-is verstandelijk te kunnen kennen. Dit betekent inderdaad dat het mogelijk is dat al onze objectkennis een universele illusie is. Deze mogelijkheid vaststellen is echter iets totaal anders dan te beweren dat de idee van een realiteit-zoals-ze-is een zinsbegoocheling is, zoals de radicale postmodernen doen.

Het blijkt dat het standpunt van de radicale postmoderne kritiek zichzelf immobiliseert. De niet-fundering blijft het spiegelbeeld van de alles-fundering. Het absoluut scepticisme valt immers niet te verbaliseren. Doet men dat toch, dan is dat zeker en vast niet zonder sofistische & retorische intenties.

Is dat filosofisch onwaarachtig ?

Dat 'grote verhalen' zichzelf moeten ontkrachten nadat ze de nodige werkinstrumenten aan hun lezers aanboden is een gematigd postmodern standpunt. Criterium is de mate waarin een tekst boodschappen bevat die de lezers geen fundamenten opdringt (zodat zij vrij blijven een eigen, uniek fundament te bouwen). Zo'n postmodernisme is zich enerzijds bewust van het echec van de moderne ontische idealen maar reageert anderzijds fel tegen een onjuist scepticisme dat gebrabbel over concentratiekampen tot wijsgerig discours verheft.

Zo'n epistemologie zal in drie bewegingen ontwikkeld worden. In deze Vooroefening komt vooral de relatie tussen 'rationaliteit' en 'irrationaliteit' aan bod. De vraag 'Hoe is kennis & vooruitgang van de kennis mogelijk ?' komt op de eerste plaats. Ze impliceert o.m. een studie van alle justificationistische funderingspogingen van de kennis. Het wordt duidelijk dat we kennis niet kunnen funderen zonder de kenleer in een ontologische illusie te dwingen.

Mijn Prolegomena maakt de weg vrij voor een studie van wat we onder 'werkelijkheid' moeten verstaan. Zie hiervoor mijn Kennis, Chaos & Metafysica. Deze confrontatie gecombineerd met een reconstructie van Kants 'Transcendentaal Ik' leidt tot een nadere bepaling van de relatie tussen 'rationaliteit' en 'metarationaliteit' of 'intuïtie'.

De tekst van deze Vooroefening is een volledig herwerkte & uitgebreide versie van Deel I van mijn Licentiaatsverhandeling (Poging tot afbakening van de categorieën 'rationaliteit' & 'irrationaliteit', RUG - 1985). De basisinstrumenten van mijn betoog kreeg ik van Erik Oger. Hiervoor mijn dank. Zijn originele & diepgaande wijze van filosoferen heeft mij -niettegenstaande ik mijn eigen weg vond- definitief & onomkeerbaar beïnvloed.

Wim van den Dungen
Antwerpen, 1 november '94.

Inleiding

In een poging om twee verschillende rationaliteitsmodellen van elkaar te onderscheiden, introduceert Hans Albert de notie 'Archimedisch punt'. Hiermee wordt het eerste model, dat Albert 'Aristotelisch' of 'klassiek' noemt, van het tweede 'kritisch' rationaliteitsmodel afgebakend.

De ontwikkeling van de kennisleer werd, aldus Albert, de laatste 20 eeuwen, en dit vanaf de Antieken -met Aristoteles voorop-, gekenmerkt door een streven naar een fundament "van waaruit bewezen kan worden, dat alle juiste opvattingen juist zijn en eventueel ook alle verkeerde verkeerd" (1). M.a.w. er werd gevraagd naar de grondslag van de kennis, en mutatis mutandis, naar een oplossing voor het grondslagenprobleem, d.wz. het feit dat antwoorden verschillen op vragen als "Waarop kunnen wij opvattingen baseren ? Hoe valt te bewijzen dat ze geldig zijn ? Hoe kan men er zekerheid over verkrijgen dat ze waar zijn ?" (2) Dit is contra-intuïtief : als waarheid waar is, dan is ze één.

Bijgevolg is het problematisch dat er tegenstrijdige opvattingen over de fundering van de kennis bestaan. Toch is dit zo. Het verankeren van de kennis in een 'grond' buiten het domein van de verstandskennis leidt volgens Kant tot een gevaarlijke ontologische illusie. We moeten verder gaan, en vaststellen dat de kenleer niet noodzakelijk met de fundering van kennis te maken heeft. Dit betekent dat we van een ontologisch kenleer afstappen.

De vraag "Hoe is kennis mogelijk ?" hoeft niet beantwoord te worden met een ontologisch project waarin de mogelijkheidsvoorwaarden van de kennis de constituanten van de werkelijkheid zijn. De kenleer is immers normatief.

In de kenleer van Aristoteles kan men zonder moeite dit zoeken naar een Archimedisch punt terugvinden. Zo treffen we in Aristoteles' Analytica Posteriora de gedachte aan dat we iets weten wanneer we menen de oorzaak of de reden te kennen waarom iets het geval is, en ook weten dat het niet iets anders kan zijn dat wat het geval is (3). Wetenschappelijke kennis berust dan op ware en ultieme proposities (4). De onderzoekingen van von Fritz bevestigen deze interpretatie van het Aristotelisch rationaliteits-en wetenschapsideaal. Ook bij Plato is er sprake van een eternalisering van de kennis. De ideeën zijn de archetypes van het werkelijke. Net zoals Sankara ontdoet Plato zich van de 'schaduwwereld' van het 'worden' als een illusie (mâyâ). Zij die de Vormen intuïtief vatten hebben geluk en weten dat het zo is (zij die met Brahman één werden zien echt in waarom de wereld het produkt van de 'magie' van de wakkere Brahman -saguna Brahman- is) (5).

Aristoteles -die aan de wereld van de zintuigen wel een eigen plaats toekent- heeft het moeilijker. Hij moet het blijvende in de sfeer van het veranderlijke vinden. Het kenproces start met zintuiglijk 'materiaal' (zintuiglijke kennis).

D.i. de actieve waarneming van een passief geregistreerd singulier fenomeen. Synesthesie van het materiaal van alle zintuigen leidt tot een concrete, singuliere voorstelling. Dit beeld is vervolgens zelf object van een 'abstrahering' d.m.v. een Actief Intellect dat de universele essentie van het kenobject begrijpt. Dit algemeen begrip wordt ontvangen door het Passief Intellect wanneer we het begrip vatten. Het Actief Intellect is tijdloos, onsterfelijk en goddelijk. Vooral in de Arabische filosofie leidt dit concept tot gigantische ontologische modellen (Ibn Sina & Ibn Roesjd).

In die zin is Aristoteles even eternaliserend als Plato. Is dit geen gemeenschappelijke trek van de Griekse (Apollinische) benadering van de kennis ?

Vooral het vertrouwen dat door kennis te funderen een oneindige regres kan vermeden worden, regres die in de moderne wetenschapsfilosofie verschijnt als een 'regress of justification', typeert het funderingspostulaat dat, niet zelden geïnspireerd op de Euklidische axiomatiek, we kunnen beschouwen "als een algemeen postulaat van de klassieke methodologie van het rationele denken" (6). Funderingsrationaliteit lijkt een noodzakelijke boei. Dit zullen we in deze tekst pogen te ontkrachten.

Het funderingspostulaat treffen we aan in uiteenlopende 'strekkingen' als rationalisme en empirisme, wat aantoont dat zij -niettegenstaande hun radicaal verschillend antwoord op de grondslagenvraag-vergelijkbaar zijn en wel zodra we een diepgeworteld psychologisch behoeftepatroon aan de oppervlakte brengen, te weten onze behoefte aan zekerheid "die we van de drang naar kennis, van het streven naar waarheid, zeer wel kunnen onderscheiden" (7).

Bij Descartes wordt op basis van de onmiddellijke intuïtie 'cogito ergo sum' de mogelijkheid van de kennis in het subject gegrond. Het kensubject dat -door in zichzelf te schouwen- tot een onbetwijfelbaar fundament doorstoot (de ingeboren idee van het 'ik denk') is waarheidscriterium, want dit intuïtief 'vatten' van het cogito is 'klaar en onderscheiden', zodat elke idee die even 'clare et distincte' is, in dezelfde mate onbetwijfelbaar moet zijn (8). Deze intuïtie van het cogito is bijgevolg het Archimedisch punt in de kenleer van Descartes. Deze is onmiddellijk & direct ; een kennisbron onderscheiden van de zintuigen & het intellect.

"Par intuition j'entends, non pas le témoignage changeant des sens ou le jugement trompeur d'une imagination qui compose mal son object, mais la conception d'un esprit pur et attentif (...) qui naît de la seule lumière de la raison ..." (9).

Eenmaal de meest eenvoudige kenobjecten vastgelegd, kunnen -strikt logisch- de meest complexe inzichten afgeleid worden, en dit 'de more geometrico'. Deze methode van Descartes kan 'rationalistisch' genoemd worden, omdat de rede enkel door de evidentie van haar eigen ingeboren ideeën (ineïsme) tot waarheid komt.

Bij de empiristen is de zintuiglijke waarneming funderend. De methode van Locke, zoals we die in zijn Essay concerning Human Understanding (1690) terugvinden, betreft een beschrijving van het psychologisch ontstaan van de ideeën (de voorstellingen, de begrippen) die zich in ons vormen. Dit genetisch proces, dat, in tegenstelling tot Descartes' methodologie, op geen enkel punt a priori ideeën introduceert, poogt aan te tonen dat er van zo'n ideeën helemaal geen sprake is (tabula rasa, d.w.z. alle kennis is a posteriori). Deze rede leidt tenslotte bij Hume 'schipbreuk', en wel op de klippen van een radicaal scepticisme (dat de realiteit van het ego & de wereld als onbewezen aanziet). Deze strategieën situeren zich allemaal binnen het kader van een klassiek rationaliteitsmodel. Hierin worden de vorming van definitieve fundamenten en de daarmee verbonden notie van de onaantastbaarheid van bepaalde gronden beschouwd als noodzakelijke voorwaarden om kennis te kunnen verwerven. De (psychologische) behoefte aan zekerheid gaat hand in hand met het (epistemisch) streven naar onvoorwaardelijke kennis (die rationaliter niet ingelost wordt). Deze onvoorwaardelijkheid is problematisch.

Het funderingspostulaat levert een moeilijkheid op. Het speciaal karakter daarvan werd in de loop van de geschiedenis reeds enkele malen opgemerkt. Volgens Albert werd de draagwijdte van de moeilijkheid meestal onderschat. Zo vinden we bij Fries in diens Neue oder anthropologische Kritik der Vernunft (1828) de overtuiging dat indien we dogmatisme afwijzen, we enkel de kennis justificationistisch kunnen funderen. Daar deze laatste funderingspoging mislukt (volgens Fries mondt deze oplossing terecht uit in een regressus ad infinitum) moeten we een psychologisme aannemen. Fries formuleerde een trilemma : ofwel dogmatisme, ofwel justificationisme, ofwel psychologisme. Bij Hugo Dingler vindt men in zijn Philosophie der Logik und Arithmetik (1931) de beschrijving van een situatie (10) die we in Alberts Traktat über kritische Vernunft (1958) eveneens terugvinden (11), echter zonder het trilemma en de verwijzing naar het funderingspostulaat.

Albert spreekt over het 'Münchhausen-trilemma' wanneer hij een kentheoretisch denkexperiment inroept dat bewijst hoe alle vormen van funderingsdenken logisch een patstelling uitlokken. Indien een kennistheorie het funderingspostulaat onderschrijft, dan leidt dit "tot een situatie met drie evenzeer onacceptabele alternatieven" (12). In tegenstelling tot wat Fries meende hebben we :

"namelijk slechts de keus tussen :

1.een oneindige regress -dit blijkt echter niet uitvoerbaar te zijn 2.een logische cirkel -die kan evenmin tot een grondslag leiden 3.het afbreken van het procédé op een bepaald punt -dit is weliswaar uitvoerbaar, maar het zou een opschorting van het principe betekenen waarvan de willekeurigheid moeilijk weerlegd kan worden " (13).

Ik zal aantonen dat alle vormen van funderingsdenken in het door Albert aangegeven trilemma belanden. Het justificationisme vervalt in dogmatisme, daar de ontwikkeling arbitrair afgebroken wordt. De Popperiaanse vorm van falsificationisme grondt de voorwaarde die de mogelijkheid van kennis aangeeft in een van onze kennis onderscheiden realiteitsinstantie (ontologisering van het kenobject), wat interne contradicties in het leven roept.

In deze Vooroefening stel ik mij o.a. de vraag onder welke voorwaarden we een geheel van uitspraken, opvattingen, theorieën 'rationeel' kunnen noemen en wanneer niet. Ik distantieer mij enerzijds van de klassieke rationaliteitsopvatting, en anderzijds van een gelijkschakeling van de begrippen 'wetenschap' en 'rationaliteit'. Aan het begrip 'wetenschap' moet een engere begripsextensie toegekend worden dan aan 'rationaliteit'. In het klassiek rationaliteitsmodel staan beide dermate dicht bij elkaar dat het moeilijk is om daartussen een duidelijke afbakening te zien, want als een opvatting rationeel is, dan is ze (volgens het klassiek model) tevens gefundeerd, d.w.z. de kennis die erdoor uitgedrukt wordt is zekere, onbetwijfelbare kennis over een bepaald object van de kennis (d.w.z. wetenschappelijk).

Teneinde het Münchhausen-trilemma te overstijgen, introduceert Albert een rationaliteitsmodel dat 'kritisch' genoemd wordt, en dat -hoe kan het anders ?-radicaal met het funderingspostulaat breekt. Allereerst mag de term 'kritisch' niet verkeerd begrepen worden. Kants transcendentaal uitgangspunt, vaak ook 'kritisch' genoemd, werd -aldus Stegmüller (14)- ontwikkeld in het kader van het Aristotelisch wetenschapsideaal. Volmaakte kennis vormt nog steeds het doel van Kants denken.

In de Vorrede bij de 2de druk vinden we het verschil tussen de dogmatische methode & de afwezigheid van een kritiek van het vermogen der zuivere rede.

"Die Kritik ist nicht dem dogmatischen Verfahren der Vernunft in ihrem reinen Erkenntnis, als Wissenschaft, entgegengesetzt, (denn diese muss jederzeit dogmatisch, d.i. aus sicheren Prinzipien a priori strenge beweisend sein) sondern dem Dogmatism (...) Dogmatism ist also das dogmatische Verfahren der reinen Vernunft, ohne vorangehende Kritik ihres eigenen Vermögens." (KRV, BXXXIV-BXXXV).

Het blijkt dus dat Kant alleen de werkwijze waaraan geen kritiek van het vermogen der zuivere rede vooraf was gegaan als dogmatisme van de hand wees, terwijl zijn uitgangspunt niet tegengesteld is aan de dogmatische methode, die uitgaat van "Prinzipien a priori". Bij Kant gaat het om het onderscheid tussen een juist en onjuist gebruik van verstand (categorieën) & rede (Ideeën) bij de vorming van de kennis, waarbij zijn methode zich tot taak stelt de resultaten van het juist gebruik op een bepaalde gefundeerde wijze te rechtvaardigen (vgl. Descartes' waarheidscriterium) en aldus de waarheid ervan te waarborgen. In dat opzicht blijft de transcendentale deductie gevangen in het Münchhausen-trilemma.

Men kan de vraag naar de geldigheid van bepaalde gegevens steeds weer opnieuw stellen, zodat een oneindige regress niet uit te sluiten is, tenzij door "een problematische aanspraak op evidentie ten behoeve van welke beweringen dan ook." (15). In dit verband kan Poppers radicale afwijzing van Kants synthetische oordelen a priori vermeld worden :

"... I do not think that his ingenious attempt to provide an a priori justification for synthetic statements was succesful." (16).

Indien Kants criticisme & meer bepaald zijn transcendentale deductie zich uiteindelijk binnen het klassiek rationaliteitsmodel situeren, dan stelt zich de vraag in welke zin Kants epistemologische arbeid in verband kan worden gebracht met een nieuw rationaliteitsmodel, waarin het funderingspostulaat losgelaten wordt, en mutatis mutandis, het Münchhausentrilemma overstegen zou zijn.

Het radicaliseren van een door Kant geïnspireerd criticisme betekent een breuk tot stand brengen tussen de probleemoplossing van Kant en het Aristotelisch wetenschapsideaal. Kant kan dan gereconstrueerd worden zodat de mogelijkheid ontstaat "zijn aanzet als een poging tot verklaring van het fenomeen van de wetenschappelijke kennis op te vatten ; een verklaring door een hypothetisch beroep op de gesteldheid van ons kenvermogen." (17). Er wordt gezocht naar de mogelijkheidsvoorwaarden van kennis & wel in de vorm van een normatief systeem van grondbegrippen "which forms the limiting framework of all our thought about the world and experience of the world..." (18).

Het zoeken naar definitieve gronden wordt opgegeven en vervangen door een verklaring voor de wetmatigheden die we -dixit Albert- menen op te merken in ons kenvermogen. "De mogelijkheid van alternatieve verklaringspogingen kunnen we nooit uitsluiten" schrijft Albert. Het kenmodel is z.i. dus zélf feilbaar, d.w.z. kan niet dienst doen als grond van de kennis. Wel kan het de basiscategorieën van de kennis aangeven. Deze zijn feilbaar. Vervalt Albert in de paradox van het onmatig relativisme ? (19).

Vooral het inzicht dat een normatieve kentheorie wel definitieve grondvoorwaarden van de kennis kan ontdekken (omdat de kenner ze steeds al gebruikte) leidt tot een normatief neo-Kantiaans kenmodel dat -zonder kennis te gronden in iets buiten het kenproces zelf & zonder op te gaan in de trivialiteit van een onmatig relativisme- de mogelijkheid & de vooruitgang van de kennis zeker garandeert.

De strikte demarcatie tussen wetenschap & metafysica speelt hierin een belangrijke rol, want in tegenstelling tot vele dogmatische justificationisten pleit ik voor een dynamisch-interactionele relatie tussen wetenschap & metafysica. De gezochte demarcatie tussen rationaliteit & irrationaliteit blijkt zich immers in het gebied van de metafysica te bevinden. Het onderscheid tussen wetenschappelijke (empirisch-formele) en speculatieve kennis moet dan wel eerst duidelijk zijn. Zo is er sprake van een dubbele demarcatie.

Enerzijds is er een testsituationele demarcatie tussen wetenschappelijke theorieën en metafysische speculatie (tussen wetenschappelijke kennis & metafysische kennis). Anderzijds is er een conceptuele demarcatie tussen geldige metafysische kennis & ongeldige. Deze laatste vorm kan geen 'kennis' meer genoemd worden omdat er gebroken wordt met de mogelijkheidsvoorwaarden van de communicatie. De ongeldige metafysica is irrationeel en dus verwerpelijk. Zij is het die elke vorm van demarcatie naast zich neerlegt en uitspraken doet die zonder meer met 'zinloze streepjes of geruis' kunnen worden vergeleken. Een geldige metafysica (die aan de zijde van het kenobject een immanente metafysica is & aan de zijde van het kensubject een metafysica van de transcendentie) is zich hiervan bewust.

1. De onoverkoombaarheid van de kennisnormen.

In Poppers The Open Society and Its Enemies treffen we volgende gedachte aan : "... whoever adopts the rationalist attitude does so because he had adopted (...) some proposal, or decision, or belief, or behaviour; an adoption which may be called 'irrational' (...), we may describe it as an irrational faith in reason" (1).

Teneinde de kennisverwervende activiteit van de mens te begrijpen, méér : te consolideren in een buiten de kennis liggende grond, zoekt Popper -via een decisionistische strategie- de keuze voor de rationaliteit te plaatsen in het domein van de irrationaliteit. Het blijft de vraag of we vanuit het irrationele kunnen kiezen voor de rationaliteit ? Dit is contra-intuïtief. Als de kenleer de vraag naar de mogelijkheid van de kennis moet beantwoorden, dan verwachten we dat ze een geheel van noodzakelijke categorieën zal uitwerken. De keuze hiervoor wordt niet vanuit de irrationaliteit gemaakt, maar volgt op het reflexief heenbuigen van het denken over zichzelf (& haar praxis).

Daar de grondende activiteit van de rede de kenleer op een schandalige wijze contamineert, zullen we hogerstaande optie dienen te verlaten in het voordeel van een geheel van niet te verantwoorden grondnormen. Dit buigt de problematiek om naar het normatieve. Dit normatief grondsysteem zullen we naar Kant een 'Factum' noemen, en wel een "feit van de rede". In de Kritik der praktischen Vernunft verwijst Kant in zijn behandeling van het statuut van de morele wet naar een primitieve, onloochenbare gegevenheid die "niet meer vanuit vroegere gronden kan verantwoord worden en daarom onverklaarbaar is" (2). De normen zijn de grondeloze grond van de kennis.

Hij schrijft dat de morele wet "das einzige Faktum der reinen Vernunft" (3) is. Het normatief grondsysteem dat -in het op reflexief Niveau denkend bewustzijn- verschijnt als een 'verzameling' van niet door redenering bewezen, maar onvermijdelijk in elke kenact vooronderstelde normen, vormt "de niet meer te gronden grondslag van de kennis" (4). D.w.z. de spelregels van het ware kennen die we altijd al hebben gebruikt.

Op deze wijze kan een 'hermeneutische cirkel' getrokken worden : vertrekkend van het menselijk kenvermogen dienen de mogelijkheidsvoorwaarden van de door dit vermogen voortgebrachte kenacten onderzocht te worden (zodat we de grenzen van dat kenvermogen kunnen aangeven). Zo botsen we op normen die in elke kenact voorondersteld moeten worden (wil er sprake zijn van kennis zijn). Achteraf 'ontdekt' het denken dat het Factum Rationis de noodzakelijke onvervreemdbare voorwaarde voor deze conceptuele zelfaftasting van het denken was ; voorwaarde die zelf niet gegrond kan worden, maar die altijd al het gebouw van het kennen ondersteunde.

Deze normen verduidelijken de notie 'rationaliteit'. De verhouding 'rationaliteit' versus 'irrationaliteit' kan immers kentheoretisch uitgewerkt worden in het licht van een mogelijke demarcatie tussen wetenschap (ware kennis) en metafysica (speculatieve kennis). Dat Kant, Popper en Habermas hierbij uiterst belangrijk zijn werd reeds door anderen aangetoond (5). Het 'Factum Rationis' vormt zo de primitieve term van de gezochte kenleer (vgl. met de notie 'person' in Strawsons antropologie (6)). Ontkent men dat de mens kenacten stelt, dan wordt datgene dat men beweert te ontkennen gehanteerd. Zo niet, vragen we : "Hoe is kennis, en vooruitgang van de kennis mogelijk ?".

Deze vraag kan enerzijds grondend (funderend) beantwoord worden : de mogelijkheid van kennis wordt dan geënt op een voldoende grond die de kennis poogt te overschrijden en dus zelf geen kennis meer is. Deze funderende, voldoende grond -een 'weten' naast de kennis die het poogt te gronden- kan enkel de mogelijkheid van kennis ondersteunen wanneer zo'n 'niet-kennend' standpunt een verantwoording van de mogelijkheid van kennis zou kunnen geven. Daar zo'n niet-kennend standpunt volstrekt dogmatisch is (zoals uit de discussies met de intuïtionisten zal blijken (7)), en het kennen onmogelijk kan verantwoord worden -wil de kenleer vrij blijven van tegenstrijdigheid- door een 'weten' dat als een 'niet-weten' moet begrepen worden, moet de grondende strategie afgewezen worden. Een dergelijk voorafgaan aan het weten is immers niet mogelijk want het is dit weten zelf (gevangen in een illusie).

De vraag naar de mogelijkheidsvoorwaarden en de vooruitgang van de kennis kan anderzijds echter ook beantwoord worden aan de hand van een normatief systeem van grondbeginselen of grondcategorieën (cfr. de neo-Kantianen en Strawson (8)). Normen die bepalen hoe ze moet gedacht worden wil er sprake zijn van 'kennis'. Normen die aangeven hoe vooruitgang van deze 'kennis' moet begrepen worden (en altijd al begrepen werd).

In wat volgt gaan we op zoek naar dit systeem van grondbeginselen. Het feit dat deze grondnormen, die aangeven hoe we kennis moeten denken, op hun beurt niet meer in een kennis verantwoord kunnen worden (cfr. de cirkelredenering) zou erop kunnen wijzen dat de beslissing om deze normen aan te wenden een irrationele (want niet-verantwoorde) beslissing is. Dit is wat Popper suggereert. Ten onrechte.

Analoog aan wat Kant schreef over de morele grondnormen zullen we aantonen dat ook voor de kennisnormen gesteld kan worden dat ze onvermijdelijk in elke kenact moeten voorondersteld worden (willen we 'kennis' kunnen denken). Wat kan er van een dergelijke kenleer verwacht worden ?

"Zij zal (...) in ieder geval geen rechtvaardiging van de kennis of van bepaalde bestanddelen van de kennis in de zin van een absolute fundering kunnen geven. Een dergelijke verwachting is utopisch gebleken en valt daarom als doelstelling van kennistheoretische inspanning niet te aanvaarden. Wel kunnen we streven naar een verklaring van de mogelijkheid van kennisvorming en kennisvermeerdering, dus in zekere zin zoeken naar de voorwaarden waaronder dit mogelijk is en zoals die in de reële menselijke situatie van kennisvorming aanwezig zijn." (9).

Het is evident dat elke kenact een kenobject (het gekende), een kensubject (de kenner) & kennis vooronderstelt. Zonder kenobject is er geen sprake van 'kennis' daar de kenner (het kensubject) niets 'voor zich' kan plaatsen, terwijl zonder kensubject hetzelfde gesteld kan worden (er is geen instantie die het gekende 'kent'). Deze vanzelfsprekendheid kan in geen voorgaande kennis gegrond worden, en kan ook niet van het kenproces vervreemd worden. Kenobject en kensubject vormen dus de mogelijkheidsvoorwaarden van kennis.

Ontkent men dit, dan vervalt het denken in een cirkelredenering : datgene wat ontkend wordt, dient in het ontkennen zèlf voorondersteld te worden. De kennis als feilbare kennis opvatten, betekent afstand doen van elke grondingspoging van de kennis.

Deze breuk met het klassiek rationaliteitsmodel impliceert tevens het loslaten van het gesloten Cartesiaans subject, waarin een eenzaam, quasi solipsistisch kensubject tegenover het kenobject komt te staan ... Mijn kennis kan enkel "mijn kennis" zijn wanneer deze kennis steeds in het kader van een intersubjectiviteit geplaatst kan worden (d.i. het open subjectmodel).

Bezitten zowel kensubject & kenobject een transcendentaal statuut in de Kantiaanse betekenis van een systeem van grondbegrippen ?

"Ich nenne alle Erkenntnis transzendental, die sich so nicht wohl mit Gegenständen, sondern mit unsern Begriffen a priori von Gegenständen überhaupt beschäftigt." (KRV, A11) (eerste betekenis). D.i. een grondsysteem dat als mogelijkheidsvoorwaarden van kennis fungeert (tweede betekenis) : "Begriffe, die den objektiven Grund der Möglichkeit der Erfahrung abgeben, ..." (KRV, A94). Bij Kant worden deze mogelijkheidsvoorwaarden echter gegrond in de subjectiviteit "... den dem Subjekt ursprünglich anhängenden Bedingungen ..." (KRV, B61) de fameuze Copernicaanse revolutie (de derde betekenis).

Dit hangt ook samen met wat Strawson in The Bounds of Sense schrijft. In de Kritik der reinen Vernunft herkent Strawson twee lagen : aan de ene kant verschijnt het werk als een "investigation of the set of ideas which forms the limiting framework of all our thoughts about the world and experience of the world" (10), aan de andere kant toont de tekst zich als een "... investigation into the structure and working of the cognitive capacities of beings such as ourselves." (11). Dit tweede aspect is volgens Strawson minder interessant, daar Kant, zonder het te willen, hierdoor dichter bij Berkeley komt te staan dan hijzelf zou toegeven (12). Volgens Strawson heeft Kant met zijn transcendentaal idealisme de strikte intelligibiliteitsvoorwaarden overschreden ... reeds bij Kant vinden dus sommigen de wortel van de nefaste gevolgen van de grensoverschrijding ... het achter zich laten van de noodzakelijke limieten van ons denken (cfr. hoofdstuk 5).

Het transcendentaal statuut van kenobject en kensubject moet het duidelijk maken dat ook hier gronding uit den boze is. Zoals het Factum Rationis niet in een niet-weten kan gegrond worden, maar wel in de reflectie kan geëxpliciteerd worden, zo moeten kensubject en kenobject fungeren als de twee uiteinden van het juk waaraan 'the limiting framework' gehangen kan worden. Het gronden van deze begrippen betekent dat "dit systeem van grondbeginselen wordt overschreden in zoverre deze daarenboven ofwel als structuurelementen van het kennend subject worden gedacht, ofwel als begrippen die de minimale grondstructuur van de realiteit aangeven en waardoor de mogelijkheid van kennis van deze realiteit kan begrepen worden." (13).

Aan de kant van het kenobject wordt dan een volkomen openheid gepostuleerd : realisme. Ofwel wordt het kennend subject tot grondende instantie gepromoveerd : idealisme en transcendentaalfilosofie ('transcendentaal' in de derde betekenis). Beide 'verhardingen' van het systeem van grondbegrippen monden uit in antinomieën op het vlak van de kenleer. De aanwezigheid van deze tegengestelde antwoorden op dezelfde vragen (aanwezigheid die Kant uit zijn dogmatische slaap wekte, en hem stimuleerde "das Scandal des scheinbaren Wiederspruchs der Vernunft mit ihr selbst" (14) d.m.v. "die Nüchternheit einer strengen, aber gerechten Kritik" (KRV, A395-396) te identificeren zodat ze ons niet meer bedriegen kan) is symptomatisch voor een denken dat zijn eigen grenzen niet meer indachtig is gebleven. "Men kan zich daarom tenslotte afvragen of deze steeds terugkerende tegenstrijdige tendens niet uiteindelijk teruggaat tot een fundamentele tegenstrijdigheid inherent aan het denken zelf." (15).

Op welke wijze vloeit een analyse van de mogelijkheidsvoorwaarden van de kennis gevoerd aan de zijde van het kenobject naar bepaalde onoverkoombare grenzen ? Hoe moeten de subjectieve en intersubjectieve aspecten van de kenact begrepen worden ? Hoe de term 'grensoverschrijding' nauwkeurig invullen ? Leidt het systeem van grondbegrippen naar een waarheidstheorie en een testmethodologie ? En tenslotte : kan de term 'rationaliteit' met deze normatieve kenleer in verband worden gebracht ? Deze vragen zullen in wat volgt betreffende de empirisch-formele wetenschappen uitgewerkt worden. Deze term verwijst naar een indeling in drie :

a) de formele wetenschappen die de studie van niet-geïnterpreteerde disciplines (wiskunde & logische systemen) tot object hebben ;
b) de empirisch-formele wetenschappen, waar ofwel een geformaliseerde theorie, ofwel een ideaal geformaliseerde theorie aanwezig is die moet gevalideerd worden langs feitelijk-empirische weg en
c) de hermeneutische wetenschappen, waar het object geen 'natuurding' is, maar een systeem van symbolen dat geïnterpreteerd dient te worden (16). De methodologie van de hermeneutische wetenschappen kwam theoretisch & praktisch aan de orde in mijn Kennis & Minne-mystiek, Antwerpen, 1993, preludium.

Toch zijn enkele opmerkingen bij de zogenaamde postmoderne hermeneutiek gepast. De radicale postmodernen stellen dat het 'discours' & de 'narratio' niet meer door de mens uitgesproken of verteld worden (17). In het 'vocabulaire' vormt het subject een 'witte vlek'. Is dit tevens de 'blinde vlek' van het radicaal postmodernisme ? Het woord spreekt zelf doorheen de tekst. Niet de auteur. Elk zoeken dat tekstvreemd is wordt afgewezen. Te weten komen wat het toevallig voorkomen van een betekenis op die of gene plaats in de tekst inhoudt, dat is belangrijk (18). Er is ook geen continuïteit tussen teksten (globaal gezien geldt dit voor de geschiedenis van de wijsbegeerte, die discontinu is). De 'werkelijkheid' zoeken buiten de tekst is onzinnig, want alles is tekst (Derrida). Alles wat de traditie der filosofie aandraagt om teksten een diepere & vaste betekenis te geven dient weggekapt te worden, d.w.z. deconstructies (verplaatsingen, ontwrichtingen). Polysemie (veelduidigheid) maakt dat er geen onderscheid is tussen fictie en werkelijkheid (19). Wijsbegeerte is aporetisch.

Denken dat aan de discussies over de 'ware betekenis van de woorden' (door deze denkers als eindeloos & dus 'zinloos' betitteld) een 'einde' moet komen, is voorbijgaan aan de normatieve onoverkoombaarheid van dialoog & argumentatie (het communicatieve handelen -Habermas- als remedie voor de dekolonisatie van de levenswereld). Teksten moeten 'verklaard' & 'bekritiseerd' (gelegitimeerd) worden (20). Dit geldt ook voor de teksten van de radicale postmodernen. Ondanks moeilijk leesbare geschriften als Glas (1974) & La Carte Postale (1980) moet ook Derrida 'uitgelegd' worden (willen zijn teksten leesbaar zijn). Dat ook hij niet ontsnapt aan traditiegebondenheid (als subject aanwezig blijft) blijkt uit Comment ne pas parler (1986) : de meest autobiografische tekst die hij zichzelf toestond (21).

De deconstructie kan dus niet voltrokken worden. Niettegenstaande hij terecht in Marges de la Philosophie (1972) schrijft dat vele wijsgerige systemen (22) zichzelf beschermen & inkapselen door van hun fundamenteel gebrek (transgressions) een 'valse uitgang' te maken (een ontoelaatbare stap voorbij de grenzen van het verstand ?), slaagt m.i. Derrida er niet in zelf daaraan te ontsnappen. Want hoe kan de exterioriteit van het schrift volledig overwonnen worden in de poging het niet-aanwezige te denken ? Is er dan nog sprake van 'denken' ? Zo ja, dan is het een denken dat niet kan gedacht worden, een denken dat niet alleen in strijd met zichzelf is maar dat de strijd nooit even tijdelijk opschort ; de monade wordt aan de diade opgeofferd ... Het verstand is de rede verloren. De deconstructie stopt niet nadat haar vruchteloze pogingen voor iedereen duidelijk zijn geworden. Waarom niet ? Omdat de chaos & de nacht van het volstrekt scepticisme niet mag opklaren door een nieuw morgenrood ?

Wat gaat er schuil achter de ongrijpbare ironie of scepsis van de radicale postmoderne filosofen (Feyerabend, Derrida, Lyotard, Lacan, Rorty, Bataille, Jameson) ? Lachen zij teveel ? Toegeven, het funderingsdenken leidt nergens toe. Het is trouwens inconsequent. Toch blijft een zekere ordening noodzakelijk voor de tekst. De deconstructie kan niet voltrokken worden omdat het denken dat dislokeert zichzelf niet volledig kan 'verplaatsen' (de baron von Münchausen kan -door aan zijn eigen haar te trekken- zich niet uit het drijfzand losrukken). De radicale postmodernen zagen de tak waarop zij zelf zitten af. "Het gaat niet om willekeur maar om erkenning van de contingentie", wordt er dan tegengeworpen. De deconstructie is dus afgelopen als deze erkenning bereikt wordt ? Zo ja, dan is het radicaal postmodernisme autodestructief. Zo neen, dan is het irrationeel.

Radicale standpunten zijn vaak reactievormen op overdreven ideologische fossilisatie. De Verlichtingsfilosofen werden in de XIXde eeuw grotendeels verkeerd uitgelegd. Net zoals een persoon als Mozart tot 'goddelijk geïnspireerd genie' werd uitgeroepen, projecteerden de romantici op Newton de kroon van de wetenschappen. De personen Mozart & Newton kwamen op de tweede plaats. Hun biografieën waren quasi hagiografisch. De XIXde eeuwse wetenschappen compenseerden het collectief emotioneel syndroom van de romantiek door een materialistisch vooruitgangsgeloof te installeren. De Verlichtingsfilosofieën werden (nà reductie) handige 'kartonnen kaders' waarin de vigerende wetenschappen als 'finaal' verschenen (in de stijl van Hegel & Marx).

De aanvallen van een gematigd postmodernisme richten zich dus in de eerste plaats op het XIXde-eeuws materialistisch brontosaurisme, waardoor op gigantomane wijze een quasi-dood modern fossiel onstond dat zonder enige aarzeling één van de grondoorzaken van het verschrikkelijk & verder onuitspreekbaar leed van de XXste eeuw kan genoemd worden. Dit fossiel (dat nog altijd quasi-leeft) is funderend & niet in staat tot enige relativering (waardoor het nooit lacht). Het is zeer gevaarlijk, zoals de concentratiekampen aantonen. Het is trouwens al geruime tijd (zij het dan in een andere gestalte) bij ons aanwezig en wel als een imperiaal godsdienstig katholicisme (brandstapels & Inquisitie). Daartegen leverde de Verlichting strijd. In die zin zijn Voltaire, Diderot & Kant interessante auteurs voor een gematigd postmodernisme. Uiteraard (zoals bijvoorbeeld bij Kant duidelijk het geval is) moeten we dan aan reconstructie durven doen en is het belangrijk hun tekst naar de geest (hun ware intentie) & niet naar de letter te vatten ... en door herhaling mislukt men minder.

Tenslotte een korte samenvatting van wat ik elders een 'kritische' hermeneutiek noemde. Deze moet rekening houden met :

a) het gegeven dat we geen enkele waarneming verrichten zonder van een cognitief kader gebruik te maken ;
b) een radicaal onderscheid tussen de relatieve betekenis (de realiteit zoals we die vaststellen) & de absolute betekenis (de door de auteur bedoelde betekenis) van een tekst ;
c) het feit dat er geen verzameling van regels bestaat die noodzakelijk tot een juist inzicht in de bedoelingen van de auteur leiden.

De betekenis x die de auteur meent mede te delen via tekst t aan een concreet of imaginair auditorium y is het uiteindelijk perspectief (de ultieme horizon) van de hermeneutische opdracht. Of de auteur inderdaad erin geslaagd is betekenis x mede te delen via t kunnen we nooit achterhalen. We kunnen immers niet te weten komen in welke mate de auteur zich daarin vergiste (en iets neerschreef dat niet of slechts gedeeltelijk met de bedoelde betekenis overlapt). Zelfs al zijn we in staat de auteur hierover te ondervragen, dan nog is het niet zeker of er geen motieven werkzaam zijn die tot het onbewuste van de auteur behoren (waardoor de auteur meent een bepaalde betekenis te hebben verhard terwijl anderen redenen hebben om daaraan te twijfelen).

Al deze moeilijkheden nemen echter niet weg dat een tekst steeds door een auteur geschreven wordt (een 'tekst' schrijft zichzelf niet). De absolute betekenis is vergelijkbaar met de realiteit-zoals-ze-is.

Dit is het uiteindelijk perspectief gehanteerd door de auteur zélf en van diens mogelijk auditorium, en dit uitgaande van de feitelijk aanwezigheid van t. De relatieve betekenis is vergelijkbaar met de realiteit-voor-ons, ontstaan naar aanleiding van 'toets' & 'taal'. De absolute betekenis constitueert de relatieve niet ; er is sprake van regulatie. We kunnen menen dat op een bepaald ogenblik beide betekenissen elkaar overlappen, maar of dit ook ontologisch opgaat kunnen we verstandelijk nooit te weten komen. Op deze wijze ontstaan volgende vergelijkingen :

a) de realiteit-zoals-ze-is = de absolute betekenis van de tekst die voor altijd zoek is ;
b) de realiteit-voor-ons = de relatieve betekenis van de tekst (het feit van de tekst) die ontstaat naar aanleiding van de studie van :

b.1.) de tekst zelf (onmiddellijk) ;
b.2.)
de context van compositie & auteur (middellijk) &
b.3.) de algemene historische situering van de compositie & de auteur (algemeen).

c) de hermeneutische theorie = interpretatieregels op elke laag van onderzoek (onmiddellijk, middellijk & algemeen).

Het probleem van de kritische hermeneutiek bestaat erin hermeneutische circulariteit te vermijden. Aangezien de interpretatie geschiedt aan de hand van een geheel van historische achtergrondinformatie, die zelf teruggaat tot teksten -waarbij zich dus ook de vraag naar de juiste interpretatie stelt-, lijkt circulariteit onvermijdelijk. Door echter verschillende interpretatielagen in te voeren (onmiddellijk, middellijk & algemeen) wordt de cirkel omgebogen tot een regress. Deze wordt afgebroken zodra de gemeenschap van tekeninterpretatoren een intersubjectieve consensus bereiken, m.a.w. zodra de algemene & middellijke interpretatielagen voor waar worden gehouden (23).

Spelregels 1

1.1. De oplossing van het grondslagenprobleem is een kenleer die een geldig antwoord geeft op de vraag hoe ware kennis en vooruitgang van die kennis mogelijk is ?

1.2. Een kenleer die op deze vraag een geldig antwoord formuleert moet a forteriori vrij zijn van elke (schandalige) interne tegenstrijdigheid.

1.3. De verleden pogingen om de kenleer te funderen in een (buiten de kennis liggende) voldoende grond moet op logische gronden afgewezen worden. De kenleer heeft intrinsiek met metafysica niets te maken.

1.4. Elke funderingspoging van de kenleer leidt tot onaanvaardbare logische moeilijkheden ; fundering geeft immers of een oneindige regress, of een logische cirkel, of een dogmatisch afbreken van de justificatiepoging (het Münchhausentrilemma).

1.5. Enkel een normatieve aanpak van het grondslagenprobleem maakt het mogelijk -door reflexie- een noodzakelijk grondsysteem van normen te vinden ; normen die we altijd al gebruikten en die bijgevolg niet kunnen ontkend worden zonder ze opnieuw te gebruiken.

1.6. Een geldige kenleer maakt het enerzijds mogelijk ware kennis van speculatieve kennis af te bakenen. Anderzijds moet op basis hiervan het duidelijk worden welke opvattingen we eerder rationeel dan irrationeel noemen (& vice versa). Op deze wijze ontstaat een rationaliteitsmodel dat bij de gezochte epistemologie aansluit.

2 : Het object van kennis & correspondentie.

2.1. Situering van het gekende.

Wil er sprake zijn van een kenact, dan moet er een kenobject gegeven zijn. Dit staat per definitie voor het kensubject, d.w.z. het object wordt door het kensubject geobjectiveerd. Dit betekent dat we niet over 'kennis' kunnen spreken zonder een noodzakelijke cognitieve relatie met het kenobject (1). Dit komt ter sprake in proposities.

Aan de zijde van het kensubject bemerken we de 'dorst' naar kennis, terwijl door het kenobject deze drang, zo menen we, botst op de muur van de onontkoombaarheid (het feitelijke). De quantumfysicus Landé schrijft over het kenobject als een 'instantie' die terugslaat (what is 'kickable and able to kick back if kicked (2)), zodat onze uitspraken enkel dan maar wetenschappelijk heten, wanneer bepaalde interne (coherentie, eenvoud, symmetrie) en externe (falsificatie, corroboratie) voorwaarden voldaan zijn.

Althans, dit meent Popper :

"Our theories which guide us in setting up our experiments and in the interpretation of their results have of course always been our inventions : they are inventions of our 'consciousness'. But that has nothing to do with the scientific status of our theories which depends on factors such as their simplicity, symmetry, and explanatory power, and on the way they have stood up to critical discussion and the crucial experimental tests ; and on their truth (correspondence to reality), or nearness to truth." (3). Indien onze uitspraken met de realiteit overeenstemmen, heten ze 'waar', m.a.w. zijn ze een geldige vorm van kennis.

We belanden, eenmaal we de relatie tussen kensubject en kenobject reflexief geëxpliciteerd hebben, in de problematiek van de geldigheid van de kennis. Indien het kensubject over een kenobject bepaalde uitspraken doet, dan is hiermee nog niet gezegd dat deze uitspraken waar zijn... "Are there any reasons or kinds of reasons capable of guaranteeing the truth of our beliefs?" (4).

In zijn "Falsification and the Methodology of Scientific Research Programmes" werkt Lakatos een schema uit dat in brede trekken de situatie weergeeft "as it was in philosophy of science after the breakdown of 'justificationism'" (5). Eeuwen lang betekende 'kennis' immers 'bewezen' kennis, hetzij door het intellect, hetzij door de zintuigen.

Het justificationisme omvat de klassieke rationalisten en de traditionele empiristen. Revelatie, intellectuele intuïtie (Descartes, Pascal, Leibniz & Spinoza) en logica (de more geometrico demonstrata) waren voor de rationalisten dé geheiligde wegen om tot geldige kennis te komen, om "a bridge across the abyss seperating our beliefs from the truth" (6) te werpen. De empiristen zochten hun heil in de zogenaamde empirische basis. Een door Lakatos niet vernoemde groep van justificationisten zijn de intuïtionisten (7). Nà de justificationisten spreekt hij over de falsificationisten, die hij opsplitst in dogmatische, conventionalistische en verfijnde falsificationisten.

Teneinde een kritische reconstructie mogelijk te maken zal ik in de volgende bladzijden al deze strategieën kort kritisch schetsen, met een klemtoon op het empirisch justificationisme en het falsificationisme. Dit maakt de weg vrij voor de normatieve kenobjectieve begrippen.

2.2. Van funderingsdenken naar conventionalisme.

De in proposities geformuleerde kennis heet 'bewezen kennis', 'geldige kennis', 'wetenschappelijke kennis' of 'ware kennis' wanneer "a general bridge of justification" (8) tussen 'doxa' en 'episteme' geslagen werd.

2.2.1. Het rationalistisch justificationisme.

Het rationalisme vertoont een dubbele structuur : enerzijds is er de categorie van de 'intuïtieve' of 'zelfevidente' waarheden, anderzijds zijn er de 'deductieve' waarheden. In zijn meest volwassen vorm vinden we deze categorieën terug bij Spinoza. De grondintuïtie : 'Deus sive substantia' wordt vrijwel onmiddellijk deductief als een waaier opengevouwen tot een geheel van formeel in elkaar geschakelde 'causaliteiten'. Deze deductieve 'élan' mondt uit in een grote spanning tussen deze grondintuïtie en de gededuceerde formele structuur (o.a. het probleem van de verhouding tussen de zintuiglijke kennis en de intuïtieve kennis -Waarom is de zintuiglijke kennis feilbaar ?-& de incommensurabiliteit tussen de verschillende attributen die toch Gods wezen uitmaken).

De zelfevidente waarheden die 'intuïtief' duidelijk zijn kampen met de moeilijkheid dat, niettegenstaande de rationalisten claimen dat ze logisch apodictisch zijn : "By this the rationalists mean that the truth of such beliefs can be directly apprehended because they can be recognized to be necessarily true (...) their necessary truth is that their denials are either self-contradictory or imply a contradiction" (9)), ze 'de jure' tautologisch zijn. En in de tautologie "heben die Bedingungen der Ubereinstimmung mit der Welt -die darstellenden Beziehungen-einander auf, so dass sie in keiner darstellenden Beziehung zur Wirklichkeit steht " (10). De tautologie vertelt niets over de wereld, zij laat aan de wereld "den ganzen unendlichen logischen Raum"(11).

Vandaar dat de intuïtieve, zelfevidente waarheden falen de kennis te gronden ... men poogt de geldigheid van kennis te justifiëren d.m.v. waarheden die leeg zijn. Aan de zijde van de deductieve waarheden geldt hetzelfde : "Deductive arguments, because they are always empty (or non-expanding), cannot, therefore, succeed in enlarging or furthering human knowledge." (12). De uit de zelfevidente waarheden gededuceerde uitspraken zeggen niets over de wereld : "Despite all its words and its mathematico-logical machinery it (de Ethica van Spinoza) says nothing whatsoever about the world" (13).

Kan de geldigheid van kennis in intuïtieve waarheden gegrond worden ? Moeten we niet eerst de mogelijkheden van ons verstand aftasten ? lndien de gebruikte funderingsmethode ongeldig is, hoeven we dan nog argumenten aangaande de logische leegheid en epistemologische onvruchtbaarheid van de rationalistische justificatiepoging aan te dragen ?

Deze externe kritiek zal nà de interne kritiek op het dogmatisch falsificationisme hernomen en positief uitgewerkt worden.

2.2.2. Het intuïtionistisch justificationisme.

Niettegenstaande de rationalisten van de 'intuïtie' gebruik maken & hun 'eerste beginselen' op deze niet-discursieve kennisvorm stoelen, kunnen ze zowel theoretisch als historisch van de intuïtionisten onderscheiden worden (14).

De intuïtionisten verschillen van de rationalisten vooral m.b.t. de uitbouw van de intuïtief gegeven waarheden. "Intuitionists have not, like rationalists insisted on a deductive procedure for the derivation of further truths from their initial self-evident truths" (15).

Vooral het arbitrair en willekeurig karakter van de intuïtief 'begrepen' waarheden kan negatief geduid worden. Jammer genoeg gebeurt het dat intuïtionisten over hetzelfde onderwerp verschillende intuïties hebben, en dus tot verschillende zogenaamde zelfevidente waarheden komen. Toch wordt er beweerd dat "the achievement of a sound intuition is neither an arbitrary, inspirational, nor easily performed act" (16). De intuïtieve waarheden "emerge out of argument." (17). Het feit dat 2 intuïtionisten tot verschillende intuïties komen, is een logische impasse : de bodem waarop de justificatie moet gebouwd worden biedt geen ondubbelzinnigheid zodat de justificatie zèlf ongeldig is. Beroep doen op de intuïtie (om dit probleem op te lossen) genereert echter een regressus ad infinitum, daar de intuïtionisten mogelijk tot twee verschillende intuïtieve oplossingen komen voor het gestelde conflict tussen intuïtieve waarheden, enz ...

De intuïtionist H.A. Prichard heeft gepoogd deze moeilijkheid uit de weg te gaan door te stellen dat wanneer 2 intuïtionisten verschillende zelfevidente waarheden produceren, één van hen een pseudo-intuïtie (18) heeft. Hoe dan een 'echte' van een pseudo-intuïtie onderscheiden ?

"The doctrine that I have been either stating or implying to be true can, I think, be summarized thus : 1. We are certain of certain things 2. To be certain of something is to know it" (19).

Iemand heeft een 'echte' intuïtie (een intuïtie die zelfevidente waarheden levert en als grond kan dienen voor de justificatie van de geldigheid van de kennis) wanneer hij zeker is van wat hij kent. De vraag blijft dan : hoe weet een individu dat deze 'zekerheid' (door Prichard "a state of mind" (20) genoemd) niet samenvalt met een louter geloven dat X = Y geldt ?

"... we can resolve this issue in individual cases by reflecting on our state of mind introspectively. If that state of mind is one of certainty (as opposed merely to unquestioning belief), then, after reflection, we can be certain of the fact that it is such a state of mind."(21).

Prichards argumentatie komt op dit punt ook in een regressus terecht : indien we beslissen dat de oorspronkelijke bewustzijnstoestand een zekere was op basis van de zekerheid van de bewustzijnstoestand die we hebben wanneer we over de oorspronkelijke bewustzijnstoestand reflecteren, dan lukt het tot 'zeker' verklaren van de oorspronkelijke bewustzijnstoestand enkel wanneer we zeker zijn van de reflexieve toestand. Om deze reflexieve toestand tot een 'zekere' toestand te promoveren moet Prichard reflecteren over het al dan niet zeker zijn van deze reflexieve bewustzijnstoestand, enz ... Het intuïtionisme poogt de geldigheid van de kennis te gronden in buiten de kennis liggende 'toestanden van het bewustzijn'.

2.2.3. Het empirisch (verificationistisch) justificationisme.

Voor de verantwoording van proposities wordt vaak verwezen naar empirische, zintuiglijke ervaringsgegevens. De empirische strategie levert een uitgewerkt antwoord op de vraag naar de justificatie van de kennis.

Het positivistisch empirisme in zijn klassieke gestalte (Comte) werd in de jaren '30 -'36 van deze eeuw door de leden van de Wiener Kreis (Schlick, Neurath, Kraft, Waismann, Carnap) omgebouwd tot een neopositivisme. Een strikte afbakening van het taalgebruik waarin aanspraak op kennis wordt gemaakt, d.w.z. het cognitief taalgebruik, vormde voor hen het centrale probleem.

Er werdt gezocht naar cognitieve significantiecriteria om zinvolle van zinloze proposities van elkaar te onderscheiden. Min of meer in aansluiting bij Hume verdeelden zij de wetenschappen in twee groepen : de formele en de empirische. De formele wetenschappen wordt enige relatie met de buitentalige werkelijkheid ontkend, terwijl de empirische wetenschappen werken met taaluitingen die cognitief zinvol zijn, d.w.z. die of als basisuitspraken (protokolzinnen) kunnen worden beschouwd (de betekenis in de uitspraak neergelegd wordt geheel gedekt door onmiddellijke zintuiglijke gegevens) of die langs logische weg tot zo'n basisuitspraken te herleiden zijn (22).

Het was Hume die op het gebied van de uitspraken de distinctie tussen analytische oordelen en ervaringsoordelen enerzijds, en de verdere opsplitsing van de ervaringsoordelen in directe en indirecte anderzijds, articuleerde. De directe ervaringsoordelen spreken over een stand van zaken die op basis van onmiddellijke zintuiglijke ervaring vastgesteld werd, terwijl we bij de indirecte proposities van het direct waargenomene overgaan naar een stand van zaken waarmee we niet direct geconfronteerd werden.

Aan het eind van zijn An Enquiry concerning Human Understanding besluit David Hume : "If we take in our hand any volume of divinity or school metaphysics, for instance let us ask : Does it contain any abstract reasoning concerning quantity or number ? No. Does it contain any experimental reasoning concerning matter of factand existence ? No. Commit it then to the flames, for it can contain nothing but sophistery and illusion." (23). Later zal Carnap een soortgelijke sterke uitspraak doen, ditmaal gevormd door taal en methode van het neopositivisme : "... een uitspraak die fundamenteel door een ervaring niet gefundeerd zou kunnen worden (...) zou dus zelfs geen uitspraak zijn, maar louter een konglomeraat van zinloze streepjes of geruis." Het is nu de vraag of deze arrogante justificationisten hun zeer destructieve methode kunnen hard maken (als we hun ideeën toepassen, blijft er van de metafysica ten onrechte niets heel).

Dat men de correctheid van uitspraken tracht te verankeren in gegevens die 'onmiddellijk' heten en 'onbetwijfelbaar' zijn vraagt de volle aandacht, daar het modern empirisch justificationisme op deze claim opgetrokken wordt. In Our Knowledge of the External World schrijft Russell dat verantwoorde kennis op basisgegevens stoelt waartoe alle uitspraken op een of andere wijze herleid kunnen worden, en die kritiekloos dienen aanvaard te worden ! Zij heten "immediate facts percieved by sight or touch or hearing" (24). Twijfel aan deze gegevens is pathologisch aldus Russell (25) !! Een en ander wordt verduidelijkt door het voorbeeld van Price in Perception : "When I see a tomato, there is much that I can doubt ... But that something is red and round then and there I cannot doubt ..." (26). De uitspraken kunnen dus volgens deze auteurs gejustifieerd worden door hun relatie met het zogenaamd onbetwijfelbaar karakter van de directe waarneming (27) van de zogenaamde 'sense data' (zintuiglijk basismateriaal).

Een sense-datum is -ex hypothesi- vrij van iedere theoretische medebepaaldheid. Price spreekt inderdaad over het sense-datum als "neutral" (28). Sense-data zijn geen materiële objecten en in dat opzicht is de term 'waarnemingsuitspraak' verwarrend. Zo'n uitspraak kan zowel betrekking hebben op materiële objecten als op de verwoording van 'sense-data' (29).

Uitspraken over materiële objecten of over eigenschappen van deze objecten komen tot stand door relaties tussen de verschillende 'sense-data', relaties die zelf geen 'sense-data' zijn, en dus aanleiding kunnen geven tot fouten : "Volgens de voorstanders van een 'sense-datum'-theorie houdt een uitspraak aangaande materiële objecten immers een ongewenste overschrijding van bevoegdheden in of is hij op zijn minst een in principe corrigeerbare uitspraak, terwijl de 'sense-datum'-uitspraak zich principieel aan iedere mogelijkheid tot correctie onttrekt." (30). Een uitspraak over materiële objecten is principieel corrigeerbaar, terwijl een 'sense-datum'-uitspraak principieel onbetwijfelbaar zou moeten zijn.

Tussen de theoretici bestaan er wel nuances : volgens Price treden 'sensation' en 'perception' tegelijkertijd op en kan slechts nà een analyse van het waarnemingsfenomeen de distinctie aangeven worden (31). Blanshard spreekt over een afleiding, over een "implicit inference" (32). Moore stelt dat het sense-datum onafhankelijk is van de 'act of sensation' terwijl de andere theoretici het sense-datum laten bestaan zolang er sprake is van een 'act of sensation'.

Allemaal huldigen zij echter de opvatting dat 'sense-data' de onbetwijfelbare rock-bottom-gegevens zijn die een verantwoording van uitspraken mogelijk maken.

Een uitspraak die geen 'sense-datum'-uitspraak is, en niet tot een sense-datum te herleiden is, is dan 'cognitief zinloos', of 'niet ter zake doende' : "De ter zake doende uitspraken zijn zinvol omdat het immers denkbaar is dat ze eens waar of vals zullen worden." schrijft Carnap in Scheinprobleme in der Philosophie, en hij vervolgt : "Al datgeen wat echter aan de overkant van het ter zake doende ligt, moet onvoorwaardelijk als zinloos beschouwd worden ; een (schijnbare) uitspraak die fundamenteel door een ervaring niet gefundeerd zou kunnen worden en daarom niet ter zake zou zijn, zou zelfs ook geen slechts denkbare toedracht tot uitdrukking brengen, dus zelfs geen uitspraak zijn, maar louter een conglomeraat van zinloze streepjes of geruis." (33). Daar het empirisch justificationisme (het neo-positivisme) "accepted as axioms only a relatively small set of 'factual propositons' which expressed the 'hard facts'" (34), moet onze interne kritiek zich vooral inlichten over het al dan niet geldig-zijn van de hypothese die de onwankelbaarheid van de 'sense-data' verkondigt, en last but not least, of de term 'sense-data' überhaupt een haalbaar concept is voor de gezochte kenleer. Het blijkt van niet.

Kritiek op de sense-datum-theorie :

1. De 'sense-data' theoretici vooronderstellen een 'one-to-one correlation' tussen de sensatie en de verbale expressie ervan. Ik ervaar iets roods, kleins, ronds, ietwat blinkends & stel : 'Ik zie een tomaat'. Aangenomen dat er zoiets als een sense-datum zou zijn, dan blijft de inhoud van dit ervarene subjectief daar "our verbal expression (or judgement) cannot be a straightforward translation of our experience (whether it be visual or any other kind) of which it purports to be an unexceptionable report because it always contains more than that experience" (35).

Wanneer ik zeg 'ik zie een tomaat', dan hanteer ik de term 'tomaat'. Deze term, een algemene, kan ik niet uit mijn ervaring afleiden. M.a.w. ik ervaar 'iets', en kan dat 'iets' niet veralgemenen (hetgeen de 'sense-data' filosofen wèl doen) daar deze algemene karakteristiek niet uit de ervaring gehaald werd en dus (volgens het criterium van Carnap) cognitief niet zinvol is (vgl. het statuut van het Actief Intellect bij Aristoteles). De 'sense-data' theoretici sluiten op een merkwaardige wijze aan bij een scholastische traditie. De onmiddellijke gegevenheid van een sense-datum kan enkel verdedigd worden hand in hand met de opvatting dat de kenactiviteit een passief gebeuren is, d.w.z. aan de werkelijke 'cognitieve activiteit' vooraf gaat. Het is dan niet verbazend dat het sense-datum bij herhaling de 'appearance' van het materiële object wordt genoemd (36).

Ervaringskennis wordt uitgelegd als een proces dat in twee momenten geschiedt : enerzijds een passieve receptie van singuliere zintuiglijke indrukken (die als zodanig nog geen kennis van het object inhoudt), en anderzijds een actieve kennisverwerving die enkel met behulp van deze zintuiglijke indrukken tot stand komt (vgl. met Actief en Passief Intellect). Bij de scholastici, in navolging van Aristoteles (37), gold de zintuiglijke indruk als onaanvechtbaar. Op dat niveau was dwaling uitgesloten, een opvatting die we bij Kant eveneens terugvinden :

"In einer Vorstellung der Sinne ist (weil sie gar kein Urteil enthält) auch kein Irrtum. Keine Krart der Natur kann aber von selbst von ihren eigenen Gesetzen abweichen." (KRV, B350-351). Hoe weet Kant dit ? Ook bij hem worden de gewaarwordingen (Empfindungen) passief opgenomen, al vormen zij geen zintuiglijk kenobject (enkel nà de structureringen die de aanschouwingsvormen van ruimte en tijd aanbrengen is er sprake van een verschijnsel ("Erscheinung" of "Der unbestimmte Gegenstand einer empirischen Anschauung" (KRV, B33-35)). Het probleem dat zich hier stelt, en waar we later uitvoerig op terug- komen, is of er van een louter passieve opname sprake kan zijn. Is het niet eerder zo dat "een passieve receptie van ervaringsgegevens tenminste altijd deel uitmaakt van de act waarin onze empirische kennis tot stand komt" (38) ? Ja !

2. De relatie tussen 'sensation' en 'perception' is dubbelzinnig en onduidelijk. Neemt men aan dat de perceptie uit de sensatie afgeleid wordt, dan kan de sprong van onmiddellijk evident (sensation) naar corrigeerbaar (perception) moeilijkheden geven. Hoe deze sprong verantwoorden ? Dit is deductief onmogelijk. Ontkent men de mogelijkheid van een afleiding (zoals Price in Perception) en stelt men de gelijktijdigheid van beide voorop, dan blijft de kloof waarover zonet gesproken werkzaam : "In het geval van de 'sensation' is de zekerheid absoluut en definitief. Waar we echter te doen hebben met de perceptie van een materieel object is de zekerheid, zo die al optreedt, slechts ogenblikkelijk. Een reflectie op de percipiërende activiteit kan aan het licht brengen dat wat men meende te percipiëren anders is dan wat het aanvankelijk scheen te zijn. De zekerheid van de 'act of perceptual consciousness' is slechts een voorlopige" (39).

3. Is een sense-datum gepercipieerd of niet ? Indien men toegeeft en aan de 'sense-data' een gepercipieerd statuut toekent (ik zie iets ronds, roods, blinkends, etc...) dan is het de vraag of men redelijkerwijze een tomaat kan definiëren door déze 'sense-data' zonder aan deze zélf een soortgelijke voorwaarde op te leggen. M.a.w. de waarneming van het 'rode', 'ronde', 'blinkende', etc... zèlf aan verdere voorwaarden te koppelen, b.v. voor 'rood' 'frequentie x op het lichtspectum'. Uiteraard vervalt men dan in een regressus ad infinitum. "If the theory were that, in percieving a penny, a man first becomes aware of a sensum, then notices that it is elliptical, and then infers from this fact and the law of perspective that he is looking at a round physical object, the argument would be fatal to the theory" (40).

Zou men daarentegen eraan willen vasthouden dat 'sense-data' niet-gepercipieerde gegevens zijn "... waar het menselijk verstand zich overheen buigt om het 'dubitable' of 'indubitable' uit te spreken, dan kan de waardering van dit oordeel, een oordeel dus over niet-gepercipieerde data, niet anders dan een beroep inhouden op een evaluatie, waarin over deze verstandelijke activiteit zelf nog een oordeel moet worden uitgesproken." En dit laatste oordeel voert wederom naar een regressus daar "deze laatste evaluatie (...) al evenmin anders dan aan de hand van deze niet-gepercipieerde 'sense-data'" (41) zou kunnen plaats vinden. De poging mislukt.

In dat opzicht is het vreemd te horen spreken over een niet-gepercipieerd gegeven in conjunctie met de opvatting dat zo'n sense-datum onbetwijfelbaar is, hetgeen toch een reflectie op een bewust gegeven vooronderstelt. Dat deze regressus, typerend is voor de justificationistische strategie, uiteindelijk dogmatisch moet genoemd worden maakte Albert duidelijk : "Al deze omschrijvingen dienen echter slechts om het feit te camoufleren, dat men bereid is het funderingsregress op een in beginsel volstrekt dubieus punt af te breken, dat tot het Archimedisch punt wordt gemaakt. Dit komt er in feite op neer, dat we op een bepaalde plaats een dogma invoeren, een bewering die zogezegd geen grondslag behoeft .... Vooronderstellingen, waarvoor men op deze manier een principiële immuniteit tegen kritiek opeist, kunnen we wel met enig recht dogma's noemen. Ze verschillen in dit epistemologisch essentiële punt niet van overeenkomstige uitspraken in theologische gedachtenconstructies ..." (42).

4. De meest radikale kritiek komt van de waarnemingspsychologen en het theoretisch werk op dat gebied. Het bleek namelijk onmogelijk de opvatting, dat aan elke empirische kennisverwerving een passief ontvangen voorafgaat (of samenvalt met deze verwerving), in overeenstemming te brengen met theoretische en experimentele bevindingen. De 'sense-data' theoretici sloten systematisch de waarnemingsomstandigheden, de contextuele gebondenheid van de waarneming, en het theoretisch geconnoteerd-zijn van de waarneming uit. Deze variabelen bleken steeds in elke waarnemingsuitspraak verdisconteerd te zijn. De contextuele medebepaaldheid (43) zal in de volgende paragraaf behandeld worden. Indien elke waarnemingsuitspraak contextueel medebepaald is, dan vervalt de notie van een neutraal waarnemingsgegeven en staat de waarnemingsuitspraak los van de zogenaamde 'vaste bodem' van (onbestaande ?) onbetwijfelbare data. De grond waarop de 'sense-data' theoretici hun gebouw optrokken blijkt zo uit drijfzand te bestaan. Dit betekent dat het neopositivisme finaal schipbreuk leidt.

Broad spreekt in Scientific Thought over het 'argument from illusion' (44). Het klassieke voorbeeld van de 'gebroken stok' wordt gebruikt om aan te tonen dat een object zich in bepaalde omstandigheden anders aan ons voordoet dan het 'in werkelijkheid' is. De distinctie moet het verschil tussen een fysisch object en een sense-datum illustreren. Het eerste is niet direct kenbaar, het tweede wel.

Broad en all. voeren echter geen criteria aan die het mogelijk maken te achterhalen wanneer een object zich nu anders aan ons voordoet dan het 'in werkelijkheid' is. Het object van onze kennis is echter steeds een kenobject (een gebroken stok, een ontzettend grote maanschijf, een plots opdoemende stad in de woestijn, e.d.) zodat spreken over een fysisch object en een object-zoals-het-is (Kants 'Ding-an-sich') kentheoretisch gesproken vrijblijvend is. Een uitspraak over een niet-ervaren gegeven of een niet-gekend object (iets dat zich niet aan ons voordoet zoals het is) kan in deze context niet op zijn waarheidsgehalte gewaardeerd worden. En dit is steeds het geval.

"Het is immers niet alleen bij de huidige stand van het kennistheoretische onderzoek niet mogelijk méér over een object te zeggen dan wat men ervan weet, maar het zal ook altijd onmogelijk blijven er anders dan veronderstellenderwijze over te spreken. (...) En waarom zou een stok gezien in een medium met homogene brekingsindex wel gekend worden zoals hij in werkelijkheid is, maar zich in een niet-homogeen medium aan ons voordoen op een andere wijze dan hij in werkelijkheid is ? Het lijkt ons daarom onjuist om in dit verband over een 'deceptive' of een 'delusive appearance' te spreken. Men zou hooguit kunnen afspreken dat als aan bepaalde voorwaarden voldaan is, men van een object zegt dat het werkelijk is zoals het zich voordoet. Voor het beantwoorden van de vraag welke deze voorwaarden zijn, kan men zich dan echter niet beroepen op een kennisonafhankelijke situatie, maar zal men genoegen moeten nemen met een conventioneel bepaalde voorkeur." (45). Geurts buigt dus de verantwoordingsproblematiek om van een grondende, ontologische benadering naar een normatieve benadering. Dit sluit aan bij onze zoektocht naar een normatief systeem van grondbegrippen.

Conclusie :

Deze kritiek toont aan dat de justificationistische grondingspogingen (hetzij intuïtief met deductieve doorwerking -rationalisme- of zonder deductie -intuïtionisme- hetzij in neutrale, theoretisch niet geconnoteerde 'sense-data') er niet in slagen kennis 'te bewijzen' in de definitieve, eenmalige en funderende zin van dat woord. "It turned out that all theories are equally unprovable." (46). De probabilistische neojustificationisten van Cambridge leden ook schipbreuk, ditmaal op de klippen van de formule van Laplace, die de breuk van een mogelijk aantal waarnemingen op een principieel oneindig aantal waarnemingen asymptotisch tot nul herleidt. "It was soon shown that (...) all theories are not equally unprovable but also equally improbable." (47).

2.2.4. Het falsificationisme.

Popper gaat de logische 'pointe' van de modus tollens tot een ware methodologie uitwerken. Hierdoor verschilt zijn stellingname radicaal van die van de empiristen en de neopositivisten.

Popper had alle activiteiten van de Wiener Kreis van op een afstand gevolgd. In 1934 ontwikkelt hij de originele gedachte van de falsificatie in zijn Logik der Forschung. Het wordt in 1959 in het Engels vertaald, herzien & uitgebreid als The Logic of Scientific Discovery.

Popper wil een criterium voor wetenschappelijkheid. Cognitieve zinvolheid wordt verlaten. Het interesseert hem in de eerste plaats niet of een uitspraak waar of vals is, maar of ze wetenschappelijk is of niet.

De jonge Popper zal pogen een strikte demarcatielijn te vinden tussen wetenschap en pseudo-wetenschap. De latere Popper wijkt daar van af. Theorieën en hypothesen moeten 'iets' aan de werkelijkheid verbieden, d.w.z. men moet de voorwaarden geven waaronder een theorie onjuist zal zijn. De psychoanalyse & de marxistische theorie over de sociale evolutie doen dat bijvoorbeeld niet. Er is geen enkel feit dat, wanneer het zich voordoet, de psychoanalyse zal weerleggen, want deze verklaart juist alles en daardoor, volgens Popper, niets. Hoe meer kansen een theorie heeft om door feiten weerlegd te worden (to clash with reality), hoe wetenschappelijker ze is.

De weerlegbaarheid (refutability) is dus een criterium voor wetenschappelijkheid. Daar er door verificatie en inductie geen zekerheid te bekomen valt, is de onwaarheid van een theorie het enige wat we kunnen weten. Theorieën worden niet uit het 'zintuiglijk materiaal' gegeneraliseerd. Zij worden door de creativiteit van de theoreticus geconstrueerd, beter : gefantaseerd. Bij dit eerste moment (theorievorming) komen 'intuïtieve elementen' te pas. De theoreticus verschijnt als een kunstenaar. Met dat verschil dat de taal waarin deze kunstenaar spreekt duidelijk moet zijn. Een theorie moet iets verbieden en dat kan enkel in een heldere taal.

Deze visie over theorievorming wordt gecomplementeerd door Poppers faillibilisme ... de theoreticus moet zich ervan bewust zijn dat zijn theorie feilbaar is, beter : dat hij maar een methodologisch verantwoordbare theorie bezit als hij deze kwetsbaar heeft gemaakt. De klasse van potentiële falsifiërende waarnemingsuitspraken (basisuitspraken) mag niet leeg zijn. Wordt een potentiële falsifiërende instantie gevonden, dan heet de theorie 'weerlegd'. Ontsnapt ze aan weerlegging, dan is ze 'gecorroboreerd'.

"Verificationists, I admit, are eager to uphold the most important tradition of rationalism -the fight against superstition and arbitrary authority. For they demand that we should accept a belief only if it can be justified by positive evidence, that is to say, shown to be true, or, at least, highly probable. In other words, they demand that we should accept a belief only if it can be verified, or probabilistically confirmed. Falsificationists (the group of fallibilists to which I belong) believe -as most irrationalists also believe-that they have logical arguments which show that the programme of the first group can not be carried out : that we can never give positive reasons which justify the belief that a theory is true. But, unlike irrationalists, we falsificationists believe that we have also discovered a way to realize the old ideal of distinguishing rational science from various forms of superstition, in spite of the breakdown of the original inductivist or justificationist programme." (48).

Popper zal een methodologie uitwerken die het mogelijk moet maken een demarcatie te trekken tussen wetenschap en pseudo-wetenschap. Deze methode verschilt van de neopositivistische justificatie, omdat Popper overtuigd is van de feilbaarheid van elke theorie. Voor een stuk hangt dit samen met het kroonjuweel van Poppers kenleer : de falsificatie. Doordat we nooit alle waarnemingen kunnen doen om vervolgens op logisch geldige wijze een algemene waarnemingsuitspraak uit te spreken, blijft een deel van 'de wereld' verborgen ... d.i. het inductieprobleem waardoor het inductivisme verlaten moet worden. Door de falsificatie gaat Popper dit uit de weg. De demarcatieeis (cfr. Kants 'kritische' poging om de kenleer te vrijwaren van metafysica) ondergaat ook verschuivingen. Eerst is er een demarcatie tussen empirische wetenschap & metafysica, dan is er een binnen de metafysica zelf.

Is een theorie weerlegd, dan zeggen we dat ze gefalsifieerd is, m.a.w. we poogden haar te falsifiëren en zijn daarin gelukt (we vonden ten minste één geval waarvoor ze niet opgaat). Mislukte deze poging, dan zeggen we dat ze gecorroboreerd is. Corroboratie is dus een mislukte falsificatiepoging, wat niet betekent dat ze niet ooit weerlegd zal worden. Een corrobatie verleent een theorie meer stabiliteit, en is alvast een geldige reden om in dezelfde richting verder te zoeken (tenaciteit).

Corroboratie is geen probabiliteitscalculus. Corroboratie meet het bereik (extentie) waarbinnen een hypothese toetsing aankan, maar niet de waarschijnlijkheid van haar waarheid. Popper is een rationalist. Wetenschap begint niet met observatie en het ontdekken van regelmatigheden : we hebben ingeboren verwachtingen en reacties, en "regularity" is daarvan de belangrijkste. Wetenschap is geen gestage accumulatie van kennis (inductivisme) maar een voortdurend vervangen van theorieën door betere theorieën. Beter betekent hier : dichter bij de waarheid. Dit is verisimilitude.

Het kan opmerkelijk genoemd worden dat de kenleer van Popper op het niveau van de waarnemingstheorie moeilijkheden heeft. Popper verdedigt immers het theoretisch geladen-zijn van elke waarnemingsuitspraak (49) maar houdt vast aan de correspondentietheorie van de waarheid. Een theorie kan gefalsifieerd worden door een waarnemingsuitspraak. Dit betekent dat Popper aanneemt dat er een 'wereld' is om uitspraken mee te vergelijken, en dat deze wereld los van het kennende subject staat. De fantasie loopt, zo schrijft Popper, te pletter tegen de realiteit. Deze realiteit bestaat, d.w.z. ze krijgt een ontologisch statuut. Dit betekent dat de mogelijkheid van falsificatie geontologiseerd wordt in het 'Ding-an-sich'.

De gedachte dat de wereld los van het kensubject bestaat, is metafysisch (ontologisch realisme). Popper heeft zich in het begin altijd verzet tegen zo'n metafysische ontwikkeling, vandaar zijn nood aan een demarcatie tussen wetenschap en pseudo-wetenschap (of, voor de jonge Popper, metafysica). Doordat de methodologie geontologiseerd wordt, haalt hij op een gesofisticeerde wijze de metafysica terug binnen, en wel in de nabijheid van zijn methodologie ! De demarcatie wordt hierdoor onduidelijk.

Enerzijds verzet Popper zich tegen het neutrale statuut van het waarnemingsgegeven, anderzijds wordt de waarneming als beslissende instantie gepromoveerd (n.l. ter hoogte van de falsificatie : Alle zwanen zijn wit. Ik zie een zwarte zwaan. Dus -modus tollens- niet alle zwanen zijn wit.). Uiteraard staat de opvatting die stelt dat alle waarnemingsuitspraken steeds in de taal van een of andere theorie gesteld zijn, loodrecht op de bedoeling van de Popperiaanse methode, daar "alle waarnemingsgegevens feilbaar zijn. Als daarom een algemene uitspraak of een geheel van algemene uitspraken die samen een theorie of een deel van een theorie vormen, botst met een waarnemingsuitspraak, kan het best zo zijn dat de waarnemingsuitspraak niet klopt." (50). M.a.w. we behouden de feilbare theorie en verwerpen de feilbare waarnemingsuitspraak. Door de waarnemingsuitspraken hun neutraal statuut te ontnemen, vermindert Popper automatisch hun onmiddellijke evidente kracht. Aan beide zijden, d.w.z. zowel vanuit de theorie als vanuit de waarnemingsuitspraken (die de theorie moeten justifiëren) heerst er relativisme. Dit wordt door Popper gemilderd door een belangrijke plaats toe te kennen aan conventionele methodologische regels. Volgens Lakatos kunnen we 3 vormen van falsificationisme van elkaar onderscheiden :

2.2.4.1. Het dogmatisch falsificationisme.

"Dogmatic falsificationism admits the fallibility of all scientific theories without qualification, but it retains a sort of infallible empirical basis. It is strictly empiricist without being inductivist ... " (51).

Het empirisch tegenbewijs geldt als scheidsrechter. "Scientific honesty then consists of specifying, in advance, an experiment such that if the result contradicts the theory, the theory has to be given up" (52) . Lakatos verwerpt deze vorm van falsificationisme omdat ze opgetrokken wordt op een drietal onhoudbare postulaten.

1. "there is a natural, psychological borderline between theoretical or speculative propositions on the one hand and factual or observational (or basic) propositons on the other..." (53). Lakatos noemt dit postulaat "the naturalistic doctrine of observation" (54). Zowel op historische als theoretische gronden meent Lakatos terecht deze visie te kunnen ondergraven. In alle justificationistische constructies vinden we deze opvatting terug, daar zonder deze waarnemingstheorie het bestaan van neutrale waarnemingsgegevens en waarnemingsuitspraken in gevaar komt. In het volgende hoofdstuk zullen we deze discussie hernemen (ik veronderstel in wat volgt dat ze weerlegd werd) : "Philosophers have dealt with theoretical terms by various methods, based on the assumptions that they have to be explained by means of the observation term as given. None of the suggested methods has, however, been shown to leave theoretical discourse uncrippled in some area of its use in science. What suggests itself, therefore, is that the presuppositions of all these methods themselves are false, namely (a) that the meaning of the observation term is unproblematic ; (b) that the theoretical terms have to be understood by means of observation terms; and (c) that there is, in any important sens, a distinction between two languages here (...)" (55).

2. "...if a proposition satisfies the psychological criterion of being factual or observational (or basic) then it is true. One may say that it was proved from facts ..." Echter : "propositions can only be derived from other propositions, (...) this is one of the basic points of elementary logic" (56). Indien postulaat twee vervalt, dan vervalt "The demarcation between the soft, unproven 'theories' and the hard, proven 'empirical basis' ..." (57). Faillibilisme is dan de consequentie : alle uitspraken in de empirisch-formele wetenschappen zijn theoretisch en "incurably fallible" (58).

3. "Or, a theory is 'scientific' if it has an empirical basis" (59). Lakatos formuleert een methodologisch tegenargument. Hoe uitmaken welke uitspraken tot de empirische basisuitspraken behoren ? Het feit dat de demarcatie zichzelf opheft, illustreert Lakatos aan de hand van het ceteris paribus-argument. In het dogmatisch falsificationistisch model hanteert men een bepaalde onproblematische achtergrond (observatietheorie, empirische basis, enz..), anderzijds een hypothese beschermd door een "ceteris paribus-clausule" (= C). Toont er zich een anomalie, dan wordt deze niet aanzien als een weerlegging van de hypothese, maar wordt ze doorverwezen naar C. Hier rijst zich natuurlijk de vraag naar een criterium om te beslissen wanneer een anomalie niet meer mag geïnterpreteerd worden als een verschijnsel te wijten aan abnormale omstandigheden en storende factoren, maar wel als een weerlegging van de theorie. Het dogmatisch falsificationisme antwoordt daarop dat wanneer de C gecorroboreerd werd, ze verschoven mag worden naar de onproblematische achtergrond. Een anomalie wijst dan op 'inconsistentie' en is bijgevolg aanleiding tot falsificatie van de theorie. De beslissing echter om C gecorroboreerd te beschouwen en probleemloos te verklaren lijkt op een arbitraire beslissing van een wetenschappelijke gemeenschap. In elk geval impliceert deze beslissing een aantal risico's. Meer nog : wat betekent het begrip 'wetenschappelijk' in de notie 'wetenschappelijke gemeenschap' ? Is dit geen petitio principiï ? Zeker weten.

2.2.4.2. Het methodologisch falsificationisme.

"Methodological falsificationism is a brand of conventionalism ..." (60). Het conventionalisme fixeert ofwel een geheel van enkelvoudige spatiotemporele uitspraken (singular statements) bij fiat van een op dat ogenblik aanwezige "relevant technique" (61) zodat "anyone who has learned it" (62) kan beslissen dat deze uitspraken aanvaardbaar zijn ("... we are stopping at statements about whose acceptance or rejection the various investigators are likely to reach agreement." (63)), d.i. het revolutionair conventionalisme ; ofwel een geheel van universele spatiotemporele uitspraken bij fiat van hun verklarende kracht, eenvoud of schoonheid, d.i. het conservatief conventionalisme (of methodologisch justificationisme). Volgens Lakatos behoort Popper tot de groep van het revolutionair conventionalisme. M.i. terecht.

"The methodological falsificationist realizes that in the 'experimental techniques' of the scientist fallible theories are involved, 'in the light of which' he interpretes the facts. In spite of this he 'applies' these theories, he regards them in the given context not as theories under test but as unproblematic background knowledge (...). He may call these theories (...) 'observational' : but this is only a manner of speech which he inherited from naturalistic falsificationism." (64).

2.2.4.3. Het verfijnd falsificationisme.

Een hypothese (Hl) kan enkel -in deze door Lakatos verdedigde vorm van falsificationisme- geëlimineerd worden wanneer er een alternatieve, rivaliserende hypothese (H2) is. H2 moet volgende kenmerken hebben:

1. méér empirische inhoud hebben, d.i. 'novel facts' laten zien, die

a) of door Hl niet voorspeld werden ;
b) of door Hl niet verwacht konden worden ;
c) of in strijd zijn met Hl.

2. H2 moet alles verklaren wat Hl verklaarde ;
3. De bijkomende informatie die H2 biedt moet 'bevestigd' worden.

Hier vinden we een belangrijk correctief op Popper, n.l. het afzien van een zuiver monotheoretische afschildering van het wetenschapsgebeuren.

Belangrijk is ook dat de waarde van de 'potential falsifiers' sterk verminderd wordt ; belangrijker zijn de 'novel facts'. Er moet dus ook niet meer gezocht naar of gewacht worden op een anomalie. Als H2 méér verklaart dan Hl dan is dat voldoende voor eliminatie. Het bestendig uitdenken van alternatieven is dus zinvol. Liet Popper theorieën met feiten botsen, voor Lakatos is er enkel een confrontatie tussen theorieën mogelijk, wat trouwens heel wat moeilijkheden omtrent het ontologisch statuut van deze feiten uit de weggaat. Dit is een vruchtbaar standpunt.

"Research programmes" (vergelijkbaar met Kuhns paradigmabegrip) zijn een serie van elkaar aflossende theorieën. Theorieën hebben een harde kern (a hard core) en worden gesteund door een aantal hulphypothesen. Spreken we van een verandering binnen het researchprogramma dan betekent zulks dat enkel de hulphypothesen veranderen. Een verandering van researchprogramma betekent dat de harde kern in deze verandering betrokken wordt.

Binnen het researchprogramma krijgen we schematisch dus volgende evolutie :

Theorie T (1) = harde kern K + hulphypothese H (1)

T (2) = K + H (2)
T (u) = K + H(u)
T (u + 1) = K + H (u + 1)

Wat de veranderingen aangebracht in de hulphypothesen betreft, moet niet gewacht worden op anomaliën, maar kan men zich creatief bezighouden met het uitdenken van betere alternatieven H2, enz. Deze moeten natuurlijk voldoen aan de hoger aangegeven voorwaarden.

De verandering van researchprogramma is problematischer. Zoals gezegd wordt dan de harde kern (K) in de verandering betrokken. Deze verandering gebeurt wanneer men vaststelt dat T (K) degenereert en T (L) progressief is. Het alternatief T (L) toont juist aan dat T (K) degenereert en dat T (L) meer 'novel facts' oplevert. Deze beslissing is natuurlijk moeilijk & willekeurig : hoe lang moet men wachten om te constateren dat T (K) zeker degenereert ? Het wordt dus 'rationality in the long run'. Discussiepunt hierbij is zeker in hoeverre T (K) en T (L) vergelijkbaar, beter : commensurabel zijn ; en worden ze commensurabel gemaakt, dan stelt zich de vraag in hoeverre dit rationeel verantwoordbaar is.

In dat verband beweert Lakatos dat een methodologie een "breathing space" moet verschaffen aan nieuwe theorieën. Wanneer de ademnood nu juist moet aangevoeld worden, zodat de theorie verlaten kan worden, blijft onduidelijk. Een programma 'gedegenereerd' noemen, verloopt dus vrij willekeurig, niettegenstaande Lakatos zonder aarzelen schrijft dat :

"editors of scientific journals should refuse to publish ... papers (by scientists pursuing the programme) ... Research foundations, too, should refuse money ..." (65).

Dit conservatisme, gestoeld op een normatief niet begrensd en dus arbitrair oordeel van een onduidelijk gedefinieerde, beter : ondefinieerbare 'wetenschappelijke' gemeenschap, voert de methodologie van Lakatos ver weg van zijn progressieve idee zoveel mogelijk alternatieven uit te werken (pluralisme). Vooral Feyerabend zal hem dit kwalijk nemen. Ook de binding met maatschappelijke elementen en hun invloed op theoriekeuze blijft onduidelijk.

Volgens Feyerabend kan de kennistheorie van Lakatos een camouflagetheorie genoemd worden. Het arbitrair karakter van de rationaliteit van Lakatos' centrale begrip "research programmes" komt dichter bij Feyerabend dan Lakatos ooit heeft willen doen uitschijnen. Feyerabend zal vooral de notie 'gedegenereerd research programma' aanvallen. Daar er geen criteria worden gegeven om een progressief van een gedegenereerd programma te onderscheiden, vervalt Lakatos in de willekeur. Dit betekent volgens Feyerabend een toenadering tot zijn anarchisme.

Het feit dat Lakatos daar niet voor uitkomt, vindt Feyerabend hypokriet : "Lakatos' philosophy, his anarchism in disguise, is a splendid Troyan horse that can be used to smuggle real, straightforward, 'honest' (a word very dear to Lakatos) anarchism into the minds of our most dedicated rationalists." Verder : "Lakatos does not really differ from the traditional epistemologists ; quite on the contrary, he provides them with a powerful new propaganda device : he connects the principles with what at first seems like a substantial bulk of independent scientific common sense, but this bulk is neither very substantial nor independent. It is shot through and constituted in accordance with the abstract principles he wants to defend" (66).

2.3. De correspondentietheorie bij Popper.

In de justificationistische benadering spelen 'de objectieve' data een uiterst belangrijke rol. Dit gold vooral in de empirische 'oplossing', waar het kenobject als 'sense-data' het statuut van 'agens arbiter' toebedeeld kreeg. In de schijnbare onoverkoombaarheid van het kenobject wordt dan een nuttig middel gevonden om bepaalde theoretische constructies boven andere te verkiezen. Theorieën die met de werkelijkheid overeenstemmen heten dan 'waar'. De idee 'waarheid' krijgt de betekenis van 'logisch waar', d.w.z. "Our theory of truth must be such as to admit of its opposite, falsehood" (67).

De correspondentietheorie van de waarheid is de kentheoretische vertolking van de intuïtieve & dus zelfevidente overtuiging dat ware theorieën (of gehelen van geordende proposities) met de realiteit-zoals-ze-is overeenstemmen. De formulering van Thomas van Aquino, door hem ontleend aan het Liber definitionum van de Joodse wijsgeer Isaac Israeli (Xde eeuw) luidt : "Veritas est adaequatio rei et intellectus" (68), waaraan hij toevoegt "secundum quod intellectus dicit esse, quod est, vel non esse, quod non est." Deze passus werd vanzelfsprekend geïnspireerd door Aristoteles : "To say that what is is not, or that what is not is, is false; but to say that what is is, and what is not is not, is true..." (69). In de hedendaagse wijsbegeerte vinden we deze opvatting terug bij Wittgenstein (de projectie-theorie (70)), en bij Schlick (71) -om twee belangrijke vertegenwoordigers te noemen-). Hand in hand met het (conventionalistisch) falsificationisme vinden we de correspondentietheorie van de waarheid eveneens bij Popper terug. Niet de Popper van de Logik der Forschung, die aldaar inhibities in verband met de term 'waarheid' vertoont (72), maar wel later, zoals in Conjectures and Refutations (73) geënt op de semantische theorie van Tarski (74).

I.v.m. de 'sense-data' theorie kunnen we ons een heleboel aanvullende vragen stellen. Aangenomen dat er basisuitspraken zijn in de neutrale & onbetwijfelbare zin, dan vragen we ons af of deze uitspraken noodzakelijk het bestaan van de realiteit-zoals-ze-is impliceren ? Een realiteit die verantwoordelijk geacht wordt voor :

a) het feit van de ervaringsinhoud (de 'stof' van het kenproces) ;
b) de ervaren 'autonome natuur' van de feiten ;
c) de gegrondheid (zekerheid) van de basisuitspraken.

M.a.w. impliceert de 'sense-data' theorie geen metafysisch realisme ? Namelijk de idee dat de wereld onderscheiden van het kensubject bestaat & dat aan onze kennis een realiteit beantwoordt die -wil de basisuitspraak waar zijn-precies is zoals beweerd wordt (75).

Een neutraal sense-datum wordt geponeerd met op de achtergrond een passief kensubject dat open staat voor een realiteit die er onafhankelijk van bestaat. Het kensubject moet passief gedacht worden, daar een actief kensubject per definitie de neutraliteit van het sense-datum zou aantasten (aan het feit wordt in een actief subjectmodel immers mede een binnentalig karakter toegeschreven).

Het opdelen van de basisuitspraken in 'perception' en 'sensation' betekende niet dat men het subject in beginsel actief wou denken. Integendeel, op het niveau van de 'sensation' bleef het kensubject volstrekt passief. Zolang we vasthouden aan distincties als 'perception' & 'sensation' of 'zintuiglijke basisuitspraken' (protokolzinnen) & theoretische uitspraken (logische deducties), blijft de vraag hangend : 'Waar halen de ervaringsuitspraken hun onbetwijfelbaar statuut vandaan ?'. Poneert men dogmatisch dit statuut als zelfevident, dan kan de argumentatie die reeds tegen de rationalisten gearticuleerd werd aangewend worden, want "both, in their traditional formulations, divide our beliefs into two main types. In the case of empiricism, these are what I have called 'directly evident' and 'indirectly evident' beliefs..." (76).

Wordt kritiek op het neopositivisme als een vorm van pathologie van de hand gedaan, dan vervalt de kenleer in dogmatisme, want het postuleren van de onbetwijfelbaarheid van 'sense-data' is (volgens het neopositivistisch cognitief significatiecriterium) "niet ter zake" ! Een laatste uitweg biedt het metafysisch realisme. Het gronden van de kenleer in een onafhankelijke werkelijkheid die met de feiten samenvalt. Die realiteit vertoont een formele overeenkomst met de taal, de logische taal, waarvan gezegd kan worden dat ze louter syntactisch is : "It aims at being the sort of a language that if you add a vocabulary, it would be a logically perfect language" (77). M.Bunge (78), J.J.C. Smart (79), P. Feyerabend (80), G. Maxwell (81), en K.R. Popper kiezen voor realisme dat -in het geval van Popper- over de grenzen van de kennis heen stapt.

In het conventionalistisch falsificationisme van Popper sluipt de realiteit-zoals-ze-is quasi onmerkbaar binnen om er de mogelijkheid van de kennis te aarden. De kennistheorie wordt een ontologie (82). Dit wordt o.a. aangegeven door de realistische interpretatie die Popper gaf aan de semantische waarheidstheorie van de Pool Tarski. Tarski wil een correcte definitie geven van de idee 'waarheid'. Hij vindt de Aristotelische versie terecht onduidelijk daar het gebruik van termen als 'overeenstemming' en 'realiteit' onvoldoende ingevuld wordt. Tarski stelt zich de vraag onder welke voorwaarden de zin "x = sneeuw is wit" waar of vals is.

"It seems clear that if we base ourselves on the classical conception of truth, we shall say that the sentence is true if snow is white, and that it is false if snow is not white ..." (83). x is een ware uitspraak als en slechts als sneeuw wit is. Deze definitie is echter nog geen correcte definitie, want ze kan tot de paradox van de leugenaar leiden. Om deze paradox te vermijden, moeten we het onderscheid tussen objecttaal en metataal invoeren. Objecttaal is de taal waarover men spreekt. Metataal is de taal waarin over de eerste taal kan gesproken worden (84). De definitie van waarheid wordt gesteld in de metataal. Op dit punt menen Kulenkampff & Oger een verband te zien met de correspondentietheorie, want deze is gebouwd op : "het onderscheid tussen metataal en objecttaal. Dit onderscheid is een binnentalig hernemen van de traditionele, buitentalige onderscheiding tussen kennis en object." (85).

Popper gaat de theorie van Tarski hernemen, echter niet zonder ze tot de gewone taal te veralgemenen (86) en deze theorie als een objectivistische theorie op te vatten. Niettegenstaande Tarski zelf beweert dat zijn theorie neutraal staat tegenover realisme en idealisme (87), stelt Popper dat de correspondentietheorie én de semantische theorie, realistische theorieën zijn (88). Voor Popper vallen feit en realiteit-zoals-ze-is samen : "the fact is non-linguistic, it is a fact of the real world" (89) ... het hoort tot zijn 'eerste wereld', de wereld der fysische objecten, onderscheiden van de 'derde wereld', de sfeer der theorieën.

"I should point out, though, that the correspondence theory of truth is a realistic theory ; that is to say, it makes the distinction, which is a realistic distinction, between a theory and the facts which the theory describes ; and it makes it possible to say that a theory is true, or false, or that it corresponds to the facts, thus relating the theory to the facts. It allows us to speak of a reality different from the theory. This is the main thing ; it is the main point for the realist. The realist wants to have bot